Ateliergeheimen: Over de werkplaats van de kunstenaar vanaf 1200 tot heden


In 2000 ontving de redactie van Kunstschrift de Prins Bernhardfonds Cultuurprijs voor de Geesteswetenschappen. Van deze prijs hebben wij dit boek gemaakt. Het bevat 17 beschouwingen door verschillende auteurs over kunstenaarswerkplaatsen in de Nederlanden.

Het boek is inmiddels uitverkocht.

Enkele fragmenten uit de inleiding op Ateliergeheimen:

Al sinds de oudheid vormen fictieve kunstenaarsateliers het theater van een eigen drama. Het atelier is dan de locatie voor de schemerzone van de verbeelding, laboratorium van de kunst waar de werkelijkheid tot ideaal moet worden gesmeed. Geen wonder dat uit datzelfde laboratorium een stroom van sterke verhalen is ontsnapt. En geen wonder dat die verhalen zo vaak een erotische onder- of boventoon hebben: tot de mythologie van de kunst behoort immers de gedachte dat het maken van kunst en het bedrijven van de liefde uitwisselbare bezigheden zijn.

En ook op dit terrein blijkt het beroep van kunstenaar aanzienlijke kansen, en zeker zo aanzienlijke risico's met zich mee te brengen.

Studio Francis Bacon

In ateliers bevinden zich nu eenmaal vaak modellen - mannen en vooral veel vrouwen, die zich beroepshalve vaak mogen uitkleden. En omdat de prototypische kunstenaar een man is (met een baret op) kunnen we de rest er helemaal bijdenken.

Afgedankte muzen, aan lager wal geraakte baretten en onvoltooide doeken - rond 1880 moeten de Parijse goten erdoor verstopt zijn geraakt.

Over kunstenaressen vermeldt de romanliteratuur in dit verband niet zo veel. De geschiedenis kent er natuurlijk wel een paar. De kunstenaressen die de geschiedenisboeken hebben gehaald, zoals Rachel Ruysch, Angelica Kaufmann, Elisabeth Vigée-Lebrun, Rosalba Carriera, Rosa Bonheur, Berthe Morisot worden over het algemeen beschreven als succesvolle, zelfstandige vrouwen, die hun zaken goed regelden. Voor zover de atelierverhalen over kunstenaressen iets zeggen is het dat zij de zaken maar beter van de liefde gescheiden konden houden.

Wat het kunstenaarsatelier nog een extra dimensie geeft is de verleidelijke dubbelzijdigheid ervan, als werkplaats, nuchtere plek waar iets gemaakt wordt maar ook als kraamkamer van de kunst. Die dubbelzijdigheid strekt zich uit tot de publieke status van het atelier: enerzijds een intense privéruimte, die zeker niet zomaar betreden mag worden, en tegelijkertijd proeflokaal van de kunst, eerste etalage van de kunstenaar. Die tweezijdigheid, van een werkplaats waar iets mee aan de hand is, vormt de rode draad in dit boek.

En ook hier, in de twintigste eeuw, is het de fictie, die prettige schemerzone tussen werkelijkheid en verzinsel, die het puurste voorbeeld biedt van een kunstenaarsatelier zoals onze verbeelding dat graag ziet. Het is te vinden in het boek The Emigrants van W.G.Sebald. In het vierde verhaal betreden we een kunstenaarsatelier in al zijn mythische betovering, inclusief de illusie van totale afzondering. Het gaat hier om het atelier van de schilder Max Ferber, goed verstopt in het havengebied van Manchester voor de renovatie.

Duisternis, rommel, en daar tussenin de oplichtende kleuren van het schildersmateriaal.Verfschraapsels op de vloer gemengd met koolstof, resembling the flow of lava.

Kunst als natuurverschijnsel, als tovenaarspraktijk, als iets elementairs en raadselachtigs, iets dat aan het leven zelf ten grondslag ligt.