China here - het principe van Parks

Uit Festivalblad Oorsprong "Het sublieme" september, 2014.




In zijn blog voor de New York Review, What is literary style and why is it bound to change as the novel rapidly goes global? betoogt Tim Parks dat er in de literatuur een internationale stijl in opkomst is, een keuken voor alle smaken. Dit is het canvas waar buitenlandse (lees: niet Angelsaksische!) schrijvers hun lokale kleuren op mogen schilderen. Er is een conditie: die kleuren moeten helder en duidelijk zijn, ook al zijn ze in werkelijkheid even representatief als het kapje van het melkmeisje voor de Hollandse meidenmode in 2014. Het is hetzelfde principe waar Karel van het Reve al in de jaren zeventig over schreef: Russische schrijvers moeten schrijven over moezjiks en matroesjka’s, ook al wonen ze al dertig jaar in Parijs.

De kunst van de eenentwintigste eeuw is internationaler dan ooit.

Maar tegelijk wordt in de moderne kunst wel degelijk een eigen taal gesproken, een esperanto, geweven uit de voortdurende samenspraak van kunstenaars, critici, opleidingen en biënnales.

Je komt er als buitenstaander niet zomaar tussen.

En het interessante is dat daarmee, op de erkende podia van de hedendaagse kunst, het door Tim Parks gesignaleerde principe wel degelijk geldt: dat van een wereldwijd gehanteerde artistieke taal, waarin buitenstaanders (lees: niet-westerlingen!) een woordje mogen meepraten, mits zij tegemoetkomen aan bepaalde verwachtingen. Moderne wereldkunst is vaak een uiting van betrokkenheid met de ‘Afrikaanse’, ‘Aziatische’ ‘Aboriginal’, ‘Latijns-Amerikaanse’ identiteit. De aanhalingstekens staan voor: universeel herkenbaar. Herkenbare beelden van plaatselijke problemen, die zich tegelijk goed voegen in het spectrum van de internationaal succesvolle moderne kunst.

De Chinese kunst die ons de laatste jaren bereikt biedt een sterke illustratie van het principe van Parks. De moderne kunst in China is een kleine dertig jaar geleden uit het niets geboren. Vóór de jaren tachtig was daar geen modern idioom, buiten het socialistisch realisme.

De geliefde en inmiddels duurbetaalde reizigers uit het verre oosten doen een paar dingen heel goed. Ze hebben zich de spelregels van de hedendaagse succeskunst snel eigen gemaakt: ironische zelfreflectie, flinke formaten, een off-kilter realisme. Daarin verweven ze hun eigen, tweezijdige erfenis. Die van het klassieke China kom je vooral tegen in de prachtige grafiek waar veel Chinezen ook in het westen roem mee hebben vergaard. Het moderne alternatief is de beeldtaal van Mao, die de grondstof vormt voor de buitengewoon succesvolle kunst van Yue Minjun, Fang Lijun, Zhang Linhai. Cynisch realisme, noemen zij hun werk, met gevoel voor de waarde van een statement. Fel van kleur en simpel van boodschap, net als het origineel.

Is het ook goede kunst? Wel als je van kunstwerken verwacht dat ze een duidelijk verhaal vertellen; liefst in primaire kleuren, maatschappelijk gemotiveerd, direct herleidbaar tot het land van herkomst.