Dieren in de kunst: Over de slurfdrager, de milde vechtjas en de eenhoorn

(Dijksterhuis-lezing, uitgesproken op donderdag 5 maart 2009, Koning Willem II college, Tilburg)

Als je goed op let, zit ook de kunst er vol mee, met dieren. De vele paradijsvoorstellingen zouden opeens erg leeg worden zonder hen, net als de marges van de getijdenboeken.

Ze geven een sfeer, ze zorgen voor een vrolijke noot, ze geven een commentaar op de centrale voorstelling, zorgen voor iets sierlijks of bieden een element van ontroering, zoals de os en de ezel bij de geboorte van Christus. Toch moet je inderdaad goed opletten om ze bewust waar te nemen. Hun rol is over het algemeen erg dienstbaar. En ze staan zelden centraal.

De hoofdpersonen van de kunstgeschiedenis zijn figuren als Jozef en Maria, Napoleon, de heilige Hiëronymus, Venus, Cleopatra, mensen met namen, een geschiedenis en iets dat wordt aangeduid als charisma: een geheimzinnige, moeilijk te omschrijven eigenschap die maakt dat wij nieuwsgierig naar hen zijn en dat hun individuele bestaan zich in ons collectieve geheugen heeft gevestigd. En de kunstgeschiedenis telt weinig dieren waar dat voor geldt.

Maar er zijn uitzonderingen. In de literatuur zijn er al meer legendarische gestalten zoals Moby Dick, in de film heb je Lassie en de stripliteratuur is overspoeld met dier-achtige wezens die in de verte nog iets met eenden of honden te maken hebben. Ook in de beeldende kunst zijn wel dieren te vinden die onze eerbied, ontroering en verbazing wekken.Vooral in de tijd toen ontroering en vertedering nog volkomen geaccepteerde doelstellingen waren in de kunst, zoals bij dit schilderij van Sir Edwin Landseer het geval is. Deze hond is genoemd naar de schilder, zo populair waren die schilderijen.


Sir Edwin Landseer, A distinguished member of the humane society, 1838.


Kunstenaars zoals Landseer hebben altijd graag gebruik gemaakt van onze bijzondere, primaire relatie tot het dierenrijk. Daarbij hebben we het in de eerste plaats over emoties: over afschuw en angst maar ook het andere uiterste. Soms zelfs iets dat lijkt op verliefdheid: je ziet een wezen dat heel anders is dan jezelf, waar je feitelijk niets van begrijpt, en bij het kijken naar dat wonderwezen val je ten prooi aan gevoelens van aanbidding en vertedering. Veel meisjes hebben dat met dit dier, het paard.

Toch zijn zulke paardenportretten in zekere zin uitzonderingen. Verder hebben paarden in de beeldende kunst bijna nooit een individuele positie, los van de voorstelling. Ze moeten ploegen, of jagen, of ridders en jonkvrouwen dragen. Als paarden op een beeld of schilderij te zien zijn, is het negen van de tien keer in een dienstbare rol. Het paard van Napoleon is naamloos de geschiedenis ingegaan, (net als de ezel waarop Jezus Jeruzalem binnenreed).

Hetzelfde geldt voor de meeste honden, vogels en konijnen, waar het ook van wipt in de kunst. Vooral voor honden en paarden is dat een soort onrecht, omdat het in werkelijkheid wel vaak helden zijn. Neem de oude hond van Odysseus die zijn baas na dienst thuiskomst als eerste herkent. Die hond heeft, net zo min als het dappere paard van Napoleon, een naam.

Andere dieren zijn er beter van afgekomen. Leeuwen bij voorbeeld hebben al een iets meer zichtbare, prominentere plaats in de westerse kunstgeschiedenis veroverd. Dat is bijzonder want het duurde lang voor mensen hier in het westen een echte leeuw te zien kregen. Een befaamde oude, hoewel ook naamloze leeuw is degene die zich altijd bevindt aan de zijde van de veelgeschilderde heilige Hiëronymus.

Het verhaal was dat die heilige Jeroen de leeuw een doorn uit zijn poot trok en dat de goede leeuw sindsdien niet van zijn zijde is geweken. Het is in feite een soort fabeldier. Maar eigenlijk kun je dat zeggen van alle dieren, zodra ze aan onze verbeelding zijn gepasseerd en in het domein van de kunst terecht zijn gekomen.

Toch fungeert de leeuw in de kunst meer als meubel dan als een individu. Tegenover de grote hoeveelheid gebeeldhouwde en geschilderde leeuwen staat het feit dat ze een beetje uniform en onderling verwisselbaar zijn. Ze zijn heel mooi en heel waardig. In onze ogen zijn ze fysiek volmaakt en misschien is dat ook de grootste hinderpaal voor de leeuw om, althans in de kunst, een overtuigende, eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. De leeuw is een beetje al te nobel, en daarin doen ze mij denken aan deze wezens:

Erechtheion, Akropolis, Athene

caryatiden, of van die stedenmaagden die je wel ziet op stadhuizen en stations: deugdzame dames maar moeilijk van elkaar te onderscheiden. Zo'n maagd hoort niet tot onze wereld, ze staat er duidelijk boven. En dat geldt ook voor de leeuw. Het zijn vaak een beetje veredelde waakhonden. Zelfs de leeuw Aslan uit Narnia of Disney's leeuwenkoning is meer een godheid dan een wezen zoals wij.

Kunstwerken gaan over hoe wij mensen de wereld ervaren, en daar kunnen ze veel over vertellen. Maar tegelijk zijn het notoir onbetrouwbare bronnen waar het gaat om een goede, kloppende weergave van de werkelijkheid. En het dierenrijk levert daar sterke voorbeelden van. In de oudste dierkundige geschriften, de Bestiaria waren dieren vooral dragers van allerlei eigenschappen, waarmee ze deugden en ondeugden, Christelijke waarden of duivelse gebruiken aanschouwelijk maakten. Dat was nog zo tot diep in de zeventiende eeuw, en we kennen ze nog steeds goed: de wijze uil , de domme aap, de sluwe vos. Van al die dieren in een dergelijke rol zijn makkelijk afbeeldingen te vinden.Vooral apen zijn in de kunst van oudsher slecht behandeld, als domme, ijdele wezens.


Max Jacob, Apenjury, 1838



In werkelijkheid hebben die eigenschappen natuurlijk weinig of niets te maken met het dier dat ze moet dragen. Maar wat ze wel doen, en wat de kunst in het algemeen heel goed doet, is laten zien hoe wij ons verhouden tot het rijk van de dieren. Ze demonstreren hoe hardnekkig bepaalde vooroordelen zijn, tegen elk bewijs van het tegendeel in. En ze laten zien hoe sterk de gevoelens zijn die bepaalde dieren bij ons oproepen, omdat wij nu eenmaal onze eigen onwillekeurige neigingen niet zomaar opzij kunnen zetten.

Maar er zijn een paar dieren die wel een uitzonderlijk, eigen leven hebben gekregen, zelfs bijna zoiets als een eigen evolutie in de kunstgeschiedenis.

En de koning op dit gebied is een dier dat zoveel gevoelens bij ons oproept dat het nagenoeg heilig is: de olifant. Als de olifant niet bestond, dan was de kans groot dat we hem zelf hadden verzonnen. Voor de olifant geldt wat ook geldt voor de leeuw en de neushoorn, waar ik nog over te spreken kom: hij behoort tot de dieren die eeuwenlang leefden op de grens van werkelijkheid en verbeelding: een beest met een slurf en benen als broekspijpen, de dichtste benadering van een heer in het dierenrijk.

Voor mij persoonlijk is de olifant het dier dat nog het dichtst in de buurt komt van een echte mysterieuze eenling,een held waar je uren naar kunt kijken.

Ik sta daar, weet ik, niet alleen in.

Mensen houden van olifanten, altijd al, en altijd al hebben ze verhalen gesponnen om dat prachtige mysterieuze dier met zijn complexe persoonlijkheid. Olifanten zijn sterk en moedig, tot in de Eerste Wereldoorlog werden ze in legers gebruikt, maar ze zijn ook heel gevoelig: al in de oudste teksten over dieren lees je over hun geheugen, hun aanhankelijkheid en hun angst voor muizen. De olifant is meer dan enig ander levend wezen, een fabeldier dat toevalligerwijs ook bestaat.

Dat gevoel is niet aan cultuur of mode gebonden, je komt het overal tegen. In het Chinees schijnt het karakter voor 'idee' en 'verbeelding' samen te vallen met dat van 'olifant'. In de Indische mythologie is de god Ganesha, de belichaming van het verstand, de voorzichtigheid en de grootst mogelijke wijsheid, voorzien van de kop van een olifant. Ook voor de boeddhisten geldt de olifant als de heiligste in het dierenrijk.

In het Christendom is de olifant een grote afwezige, je had nu eenmaal alleen maar kamelen in de woestijn. Het Christendom heeft sowieso niet zoveel boodschap aan dieren, en ik vind dat een duidelijk minpunt: je hebt die os en die ezel, heel ontroerend maar toch ook heel secundair, en trouwens: in de het verhaal van de heilige geboorte komen ze niet voor. Hier, zoals vaker, heeft de kunst aangevuld waar de bron tekortkwam.

Maar in de kunstgeschiedenis kent de olifant een heel eigen ontstaansgeschiedenis, en daarmee is de kunst-fant een verwant maar toch ander dier dan de echte. En hier wordt meteen een heel wezenlijk principe zichtbaar over de relatie tussen de kunst en de werkelijkheid: dat hier soms parallelle, maar vaak toch ook heel verschillende wetten gelden. Zo werd traditioneel geloofd dat de olifant geen kniegewrichten had. In werkelijkheid kunnen olifanten natuurlijk best knielen.

Als ze het niet doen is het omdat ze dat niet willen.

Zulke verhalen zijn beter te begrijpen wanneer je weet dat olifanten tot de 16de eeuw in Europa uiterst zeldzaam waren. De oudste getekende en geschilderde exemplaren berusten daarom op horen zeggen, beschrijvingen en geruchten. Iets over een groot dier met een slurf die ook fungeerde als trompet, daar moesten ze het vaak mee doen, heb je de indruk. Het is grappig om te zien hoe Middeleeuwse kunstenaars zich een voorstelling va het olifantenlijf probeerden te maken. Vaak wordt het wat genormaliseerd; ze worden dunner, en krijgen een soort hoefjes. Vaak hebben ze iets van een hond of een geit met een slurf hier met een soort kasteel op zijn rug, een vast motief uit veel manuscripten, dat verwees naar de rol als gevechtstank die de olifant eeuwenlang moest spelen.

De slurf vormde voor Middeleeuwse kunstenaars en dierkundigen duidelijk een probleem apart. Vaak maakten ze er, (eigenlijk niet onlogisch), iets van dat eindigde in de breedte als een trompet, in plaats van dat kleine gevoelige tuitje waar de echte olifantensnuit zo sterk door wordt gekenmerkt. Of ze maakten er gewoon een heel lange snuit van, zoals deze, op een kapiteeltje in de Pyreneeën.

En soms is de slurf in een soort tong veranderd. Zo werd er ook over geschreven, bij voorbeeld in het Bestiarium van Guillaume le Clerc uit 1210. Daarin kun je lezen dat 'de olifant een binnendarm uit de bek laat komen', om des te makkelijker te kunnen grazen en het voedsel te verteren.

Toch is het zeker niet zo dat kunstenaars maar wat voor zich uit fantaseerden als het om dieren ging. De werkelijkheid kwam er altijd tussendoor, als een corrigerende factor, zodra die kans zich voordeed. In dat opzicht lijkt de kunstgeschiedenis wel wat op die van de wetenschap. Alleen liggen de prioriteiten anders.

De eerste min of meer realistische olifant uit de middeleeuwen is die van de Engelse miniaturist Matthew Paris, de eerste bekende tekenaar die een olifant in het echt had gezien, in 1254, nl het exemplaar dat de Franse koning Lodewijk IX aan collega Hendrik III cadeau gaf.

Het opmerkelijke is dat diezelfde Matthew Paris de olifant in een iets later manuscript afbeeldde volgens het traditionele recept, hier een soort varken met zo'n kasteel op zijn rug. Hier zie je een mechanisme dat verderop in mijn verhaal nog sterker zal worden geillustreerd, namelijk dat zelfs de oude de kunst soms eigen wetten volgt.

Na dit exemplaar van Matthew Paris duurde het nog drie eeuwen, tot het einde van de 15de eeuw, voor je in de kunst olifanten tegenkwam die leken op de echte die wij kennen uit de dierentuin.

Ook in die tijd waren olifanten nog steeds heel zeldzaam. Exotische dieren vormden de duurste, meest exclusieve cadeaus die vorsten en pausen elkaar konden geven. Deze olifanten kregen vaak namen: in Italië had je Hanno,

de olifant van de paus die door het hele volk werd vereerd. In Nederland hadden we Hansken. Hansken was een tamme olifant. Ze was in 1630 geboren op toenmalig Ceylon. Na haar verscheping naar Nederland stond ze op de kermis pootjes te geven en met haar slurf geld uit zakken te vissen van het publiek. Ook zij was enorm populair.

Maar wat haar plaats in de eeuwigheid heeft verzekerd, zijn de tekeningen die Rembrandt van haar maakte.

Deze tekening vormt een geweldige getuigenis van de grootheid van Rembrandt: niet alleen omdat de fysionomie van de olifant zo prachtig is getroffen, maar ook door de ongelooflijke expressiviteit van dit beest. Rembrandt had nog nooit eerder een olifant gezien. Hij heeft Hansken een keer bekeken, en toen maakte hij een paar schetsen waaronder deze. Hier zagen we ineens een olifant met niet alleen dat grote zware lijf en die dikke grijze rimpelhuid, maar ook met die zachtaardige en droevige oogopslag die dit dier voor ons zo onweerstaanbaar maakt.

Elke bioloog zal je vertellen dat je gezichtsuitdrukkingen van dieren niet mag interpreteren, maar dit is een wijsheid waar kunstenaars traditioneel geen boodschap aan hebben gehad. Het interpreteren van gezichtsuitdrukkingen is nu eenmaal een diepgewortelde neiging van het zoogdier mens, en de kunst maakt daar graag gebruik van. In dat opzicht zullen kunstwerken altijd meer gemeen hebben met roddelpraatjes en sterke verhalen dan met wetenschappelijke verhandelingen. En dat ook is waar een kunstenaar als Rembrandt hier zo effectief gebruik van maakt. Dit beest is ten diepste doordrongen van zijn belabberde situatie, verbannen, in gevangenschap, voorgoed veroordeeld tot een bestaan als levend spektakel.

Nog zo'n fabeldier uit het rijk van de kunst, waarvan ook in het echt een paar varianten bestaan, is deze,

de neushoorn. Als je die uit de kunst met de echte vergelijkt, is het wel duidelijk uit welk gerucht de kunst-rinoster is ontstaan. Namelijk uit zeemansverhalen over de Indische, met zijn dikke huidplooien.

Ook van dit dier hebben de meest wonderlijke varianten een eigen trektocht door de Europese kunstgeschiedenis gemaakt. Voor de neushoorn gelden veel dingen die ook voor de olifant gelden: exotisch dier, moeilijk verkrijgbaar en dus heel duur. Daarbij lag de magie van dit dier om te beginnen denk ik in zijn verbijsterende lelijkheid.

Mooi en lelijk zijn misschien subjectieve begrippen, maar hier hebben we een wezen dat eruitziet alsof het elke ochtend in een ingewikkeld hansop wordt gesnoerd, gemaakt door een ontspoorde kleermaker; een soort kolossale lederhosen.

Nu zijn mensen niet alleen van nature geneigd tot het projecteren van allerlei eigenschappen, maar ook tot overdrijving. En er is geen beest dat zich daar beter voor leent dan de neushoorn. Je hoeft er maar een heel klein schepje bovenop te doen, en voor je het weet is een echt bestaand dier veranderd in een kunst-beest. En zo leidde de neushoorn via allerlei knullige voorvaders en moeders, in de kunstgeschiedenis vanzelf tot deze: de neushoorn van Albrecht Dürer.

Het is belangrijk om te weten dat Dürer de neushoorn nooit in het echt heeft gezien. Hij baseerde zich op tekeningen en beschrijvingen van het beest dat de koning van Portugal in 1515 cadeau gaf aan Paus Leo X (dezelfde die Dürers tijdgenoot Luther vijf jaar later in de ban deed). De arme neushoorn verdronk bij het lossen in de haven van Genua, nadat hij in Italië allerlei domme kunstjes had moeten vertonen, maar dankzij Dürer werd hij, postuum, wereldberoemd.

En zo werd de kunst- rinoceros het dier dat het was in alle beschrijvingen: een heel goedaardig dier met ingebouwde pantserplaten, en een soort extra hoorntje bovenop zijn ruggengraat. En zo smeedde Dürer een dier dat bijna drie eeuwen lang in Europa doorging voor de meest getrouwe weergave van de neushoorn.

Dat is des te opmerkelijker wanneer je bedenkt dat er in die periode, tussen 1500 en 1800 ook andere markante neushoorns zijn geweest, die zijn vereeuwigd door beroemde kunstenaars. Die voorstellingen zijn zonder uitzondering waarheidsgetrouwer dan die van Dürer. Zo is er dit portret,

van zo'n zeven jaar eerder, door de graveur Hans Burgkmair: minder mooi misschien, wel levensechter. Ook later kwamen de meest schitterende portretten van neushoorns in omloop, vooral van de beroemdste neushoorn uit de Europese geschiedenis, een Indiaase meisjesrino, genaamd Clara.

Clara was in 1738 als baby van een maand oud gevangen in noord-oost Bengalen en opgegroeid in de menagerie van de directeur van de plaatselijke VOC vestiging. Daar liep zij vrij rond, tot ze cadeau werd gegeven aan de Nederlandse kapitein Douwe Mout van der Meer. Deze man wist hoe hij gebruik moest maken van de voordelen die het lot hem in handen speelde. Hij liet Clara in een zelfgetimmerde kar door heel Europa rondparaderen.

Zo werd Clara was waarschijnlijk de grootste gedocumenteerde ster onder de exotische dieren die voor 1800 het Europese continent doorkruisten. In Parijs ontketende zij in 1749 een rage genaamd rinomanie: die uitte zich in dameskapsels, modegrillen, klokken en porseleinen beeldjes. Voltaire schreef in zijn Dictionaire Philosophique, over aanhangers van het creationisme de veelzeggende zin: 'Moderne natuurfilosofen hebben God gevonden in de huidplooien van de rinoceros'. Deze zin moest hij schrappen van zijn mecenas, Frederik de Grote, die de echte Clara had ontmoet in Berlijn en diep onder de indruk was van haar wonderbaarlijke, charismatische gestalte.

In Venetië werd zij het middelpunt van het carnaval. Als een echte diva werd zij vereeuwigd door de beroemdste schilders van haar tijd zoals de Franse schilder Jean-Baptiste Oudry, hofschilder van Lodewijk XV en de Italiaan Pietro Longhi. Op dit schilderij van Longhi krijg je, net als bij Rembrandts Hansken, een glimp van de situatie waarin die exotische dieren in Europa zich bevonden. Het waren bovenal rare spektakels die thuishoorden op kermissen en carnavals, tussen de dikke dames en siamese tweelingen.

Maar toch, ondanks de prachtige en wonderlijke portretten van Oudry en Longhi en vele anderen was het die van Albrecht Dürer die het langst stand heeft gehouden.

Hier heb je het weer: in de kunst winnen soms de grootste roddelverhalen eeuw na eeuw van de meest krachtige bewijzen dat er iets niet klopt: dat er geen neushoorns met ingebouwde pantsers en borstkurassen bestaan, bij voorbeeld. Tot laat in de achttiende eeuw, toen de neushoorns gestaag Europa begonnen binnen te wandelen, bleef deze van Dürer de maat van alle rinocerossen.

Hij verscheen op alle mogelijke bric a brac, Delftse tegels, tapijten, bronzen deuren, serviezen, tafelstukken en porseleinen beeldjes uit de fabrieken van Meissen.

Johann Joachim Kaendler, 1752.


Het bijzondere van dit laatste beeldje, als je goed kijkt, is dat het de kop heeft van Clara, en dat klopt ook want Clara was in Meissen geweest en de beroemdste porseleingieter, Johann Joachim Kaendler. Maar blijkbaar vond Kaendler Clara's lijf voor het porselein niet expressief genoeg: en zo voorzag hij haar van het lijf van Dürers rinoceros.

Dat dit zo is, kan niet alleen te maken hebben met de menselijke hang naar spektakel. Neushoorns zijn in het echt spectaculair genoeg. Misschien speelt hier, naast de genoemde overdrijving, ook een behoefte aan vereenvoudiging een rol. De Durer rinoceros heeft ook iets dat bij voorbeeld kinderspeelgoed-beesten kenmerkt .

Hij is een raar, maar wel een overzichtelijk beest. Je kunt hem goed namaken in allerlei vormen en van allerlei materialen en dat is precies wat in de achttiende eeuw gebeurde. Het is een soort visueel getemde versie van dat machtige, onberekenbare beest.

Ik denk dat in die neiging tot overdrijven en vereenvoudigen, die in de kinderspeelgoedwereld natuurlijk het verst is doorgevoerd, twee menselijke behoeftes elkaar in evenwicht houden, namelijk de hang naar drama en spektakel met aan de andere kant de wens om onszelf gerust te stellen. Dit dier is spannend, en tegelijk overzichtelijk. Als je wilde, zou je het, net als een vrachtwagen, in- en uit elkaar kunnen schroeven. Het is in dit verband ook veelzeggend dat bronnen zoals The History of Foure-Footed Beasts van Edward Topsell uit 1607 voortdurend herhalen dat dit beest niet alleen heel indrukwekkend is van gestalte maar bovendien een uitzonderlijk goedaardig wezen, dat zich onderscheidt door innerlijke rust en mildheid.

Het lijkt me dat hier opnieuw de gezichtsuitdrukking van het echte dier ons parten speelt.

Er zijn natuurlijk genoeg verhalen over 18de-eeuwse neushoorns die zich niet hielden aan hun voorgeschreven mildheid. Maar het is opvallend te zien hoe daarmee werd omgegaan. Het kwam erop neer dat niet de theorie, maar de praktijk moest worden gecorrigeerd. Die neushoorns werden dan gestraft, als individuen die van het rechte pad waren afgeweken: hun hoorn werd afgezaagd en soms hun ogen uitgestoken. Niet de soort, maar het individu was slecht.

De beschrijving die de Britse dominee Topsell van het karakter van de neushoorn geeft, gaat nog wat verder. Direct na zijn prijzende woorden doet hij een heel wonderlijke uitspraak. Hij zegt dan over de neushoorn,

above all other creatures they love Virgins.

Dat is een verbluffende uitspraak, die op het oor misschien een beetje twijfel wekt aan de geestelijke gezondheid van de spreker. Maar de dominee had gewoon met zijn neus in de boeken gezeten. Deze beschrijving stamt namelijk uit een heel oude, antieke bron, de zogeheten Physiologus, een derde-eeuws boek dat een beschrijving van het hele dierenrijk heette te zijn, compleet met eigenschappen en de daaraan te verbinden moraal. En de eigenschap van een bijzondere voorliefde voor maagden, niet als maaltijd maar als gezelschap, behoort in feite niet tot de neushoorn, maar tot het meest lieftallige fabeldier waar de menselijke verbeelding zich toe heeft gezet, De Unicornus oftewel de Eenhoorn.

Dit dier bestaat niet echt, weten we nu, maar dat is nog maar een vrij recent inzicht. Eeuwenlang, tot in de negentiende eeuw, had de eenhoorn net zo veel bestaansrecht als de wilde reuzenkat, de slurfdrager en de milde vechtjas. Trouwens, volgens menig bijbelgeleerde hebben ze ooit wel degelijk bestaan, en wel voor de zondvloed.

In het paradijs graasden de eenhoorns vredig in het rond, en toen Noach de ark vollaadde met dieren, mocht de eenhoorn ook mee. Maar daarna zou dit edele dier eigenwijs te zijn geworden, en in het water gesprongen, roepende dat hij kon zwemmen. En vandaar dat er nog steeds af en toe hoorns van de eenhoorn aanspoelen. Er zijn enkele geleerden die daar ook een andere verklaring voor aanvoeren in de gedaante van dit dier:

de Narwal. Een raar onwaarschijnlijk zeedier, met een gedraaide hoektand linksonder die erg veel lijkt op de traditionele beschrijving van de hoorn van de eenhoorn. Maar kunstenaars hebben zich daar niet door uit het veld laten slaan: de eenhoorn behoort nog steeds tot de meest populaire verschijningen uit de fantasie-literatuur, vaak in combinatie met een meisje.

Van fabeldieren zou je verwachten dat die in een leemte voorzien: een soort dier dat niet bestaat, maar wel zou kunnen bestaan, en waar om een of andere reden behoefte aan zou kunnen zijn. Als je het echte dierenrijk bekijkt, met zijn neushoorns, zijn zebra's, okapi's, narwals, spiesbokken en paardantilopen, kun je je afvragen waar de bijzondere behoefte kan liggen aan nog zo'n paardachtig dier met gespleten hoeven en een hoorn van anderhalve meter op zijn kop.

Blijkbaar was die behoefte er wel, en kwam de eenhoorn tegemoet aan iets waar wij belangstelling voor hebben.

Hij is al lang geleden geintroduceerd, en sindsdien met een opvallend succes in de kunstgeschiedenis blijven bestaan.Ook de combinatie met mooie jonkvrouwen was al vroeg gelegd.

Wie zou er niet, zoals deze dame, een eigen tam eenhoorntje willen hebben?

In de eerste bekende beschrijving komt zij overigens nog niet voor. Die beschrijving dateert uit de vierde eeuw, van de Griekse natuurvorser Ctesias die de eenhoorn beschreef als dier uit India met een wit lichaam, een purperen hoofd , donkerblauwe ogen en een witzwartrode hoorn die geneeskrachtige kwaliteiten had. Ook in andere klassieke bronnen zijn het vooral mannen die beweren het dier te hebben gezien. Julius Caesar rapporteert er een in de uitlopers van de grote zuidwest-Duitse wouden. Dat komt al dicht bij ons in de buurt. Plinius de oudere beschrijft een dier met het lichaam van een paard, voeten als een olifant, en enkele zwarte hoorn- dat lijkt weer sterk op de rinoceros. Allemaal beschrijven die oude bronnen de eenhoorn als een beest dat door zijn enorme snelheid niet te vangen is. Ook werd telkens opnieuw geschreven over die hoorns, die zich goed leenden voor de opsporing van verdachte drankjes, als een soort lakmoesproef. Je doopte zo'n hoorn dan in je drankje. Werd de hoorn rood, dan was het mis. Tot mid 18de eeuw werden narwaltanden gemalen en gedronken als medicijn.

En verder is de eenhoorn een van de weinige dieren waar in de bijbel melding van wordt gemaakt, in het boek Job 39, vers 12 -15. Daar krijgt Job een aantal vragen van God , te beginnen met: Zal de eenhoorn u willen dienen? Zult gij uw arbeid op hem laten?. Met andere woorden, kunt u dat dier voor uw karretje spannen. Het implicitete antwoord, was nee. Niemand kan de eenhoorn voor zijn karretje spannen.

Door moderne bijbelgeleerden is inmiddels vastgesteld dat de eenhoorn in de bijbel is verdwaald als gevolg van een verkeerd uit het Hebreeuws in het Grieks vertaald woord. Het oorspronkelijke woord, re-em, betekende iets als grote onoverwinlijke kracht. Iemand heeft daar eenhoorn van gemaakt, en die verkeerde vertaling, de zogeheten Septuagint, is de basis geworden voor latere bijbelvertalingen zoals de Statenbijbel. Zo is de eenhoorn dus een bijbels dier, dat vaak wordt vereenzelvigd met de Messias:

je zou kunnen zeggen, een heel goedaardig wezen dat onbeperkte krachten herbergt, maar ze, mits we hem goed behandelen, ook ten goede aanwendt.

En hier hebben we misschien de beste, meest complete verklaring voor dat evolutionaire succes binnen het domein van de kunst. Van de eenhoorn kun je zeggen dat hij aan alle eisen voldoet die de menselijke verbeelding aan het dierenrijk stelt: het is een spectaculair dier. Het is overzichtelijk, heel mooi, behept met iets eigenaardigs, en bovenal is het een dier dat heel gevaarlijk zou kunnen zijn, met die anderhalve meter lang gedraaide hoorn, maar het juist niet is. De eenhoorn is sneller dan enig ander dier, zo schrijven veel bronnen zoals die gezaghebbende Physiologus. En daar heb je het, er is maar een manier om hem te vangen, zo schrijft diezelfde Physiologus: met behulp van een maagd. Zet een mooie maagd in een stuk woud waar de eenhoorn zich wel eens ophoudt, en aangetrokken door haar specifieke geur en onmiskenbare puurheid, zou dit beest met al zijn grote universele kracht naar haar toehollen, hij legt zijn kop in haar schoot en valt in slaap.

Het is soort reflex geworden om bij dit soort voorstellingen meteen het hele freudiaanse gereedschap van fallische symboliek en sublimatie van seksuele fantasieën uit de kast te halen, en wieweet zit daar iets in. Meisjes en paarden houden van elkaar, met of zonder puntmuts. Maar ik vind het vooral iets ongelooflijk liefs en vredigs hebben, zo'n plaatje. Het heeft alles wat we van dit verhaal willen: dat lieve dier dat nu eenmaal is opgescheept met die punt op zijn voorhoofd. En dat meisje dat haar hand op zijn kop heeft gelegd, en naar hem lijkt te luisteren. Hier wordt de kloof tussen ons en het dierenrijk eventjes bijna helemaal gedicht.

Maar zo mooi is de wereld, zelfs in het rijk van de fabels, en dus ook in de kunstgeschiedenis, niet. Het is overduidelijk dat het verhaal van de eenhoorn en de maagd een gevoelige snaar heeft geraakt in de menselijke behoefte aan waar gebeurde wonderverhalen. Maar vredig zijn de variaties op dat thema meestal niet.

Weliswaar zijn er duizenden afbeeldingen te vinden van de eenhoorn die zijn kop in de schoot van zo'n maagd legt, maar negen van de tien keer wordt het arme dier geen seconde lateroverhoop gestoken.

Ik vind dat altijd nare voorstellingen. Ik denk dat ook vroeger mensen dat wel vonden, maar hier kwam het symbolische denken de meer gevoelige geesten te hulp. Middeleeuwse monniken schreven bibliotheken vol over hoe de eenhoorn eigenlijk de Verlosser was, hoe de maagd in het woud eigenlijk stond voor Maria, en de vangst van de eenhoorn een allegorie was voor het huwelijk, gezegend door de heilige roomse kerk. Maar echt overtuigend wordt het allemaal nooit. Het zijn en blijven laffe moordpartijen. En trouwens, ook buiten de Christelijke traditie kwamen die eenhoornjachten wel voor. Het was gewoon een enorm populair onderwerp.

Een van de mooiste voorbeelden uit de westerse kunstgeschiedenis bevindt zich in New York, in de dependance van het Metropolitan Museum, genaamd The Cloisters.

Het gaat om een serie van zeven wandtapijten, geweven aan het eind van de vijftiende eeuw in de zuidelijke Nederlanden, huidig België. Deze reeks tapijten wordt wel aangeduid als 'de mystieke jacht op de eenhoorn', omdat ze in feite een allegorie op de passie van Christus zouden verbeelden: het onschuldige wezen dat wordt opgejaagd en gevangen en uiteindelijk gedood, ter verlossing van de mensheid. En wieweet waren de mensen die deze tapijten ontwierpen en maakten van die deugdzame associatie op de hoogte.

Maar als je naar die ongelooflijk levendige voorstellingen kijkt, zie je vooral het geweldige plezier waarmee zo'n scene wordt uitgebeeld. Zelfs dat lieftallige witte gehoornde paard, mochten niet ongestoord door de bossen galopperen op zoek naar mooie meisjes om zich bij neer te vleien, nee er moest op worden gejaagd.

Een reden daarvoor is natuurlijk dat zo'n jacht leuk is om af te beelden, veel actie, veel mensen en beweging. Maar ook dat verklaart niet alles van dit soort voorstellingen, want soms zijn het heel statische taferelen die hetzelfde laten zien: een fabeldier in gevangenschap.

De eenhoorn is gevangen, en nu ligt hij te herstellen van zijn wonden. Om hem heen staat een wat knullig hekje waarvan je zou verwachten dat een zichzelf respecterend fabeldier daar met gemak overheenspringt, maar hij kan het niet meer want hij is getemd, door die maagd die inmiddels weer naar huis is.

En daar ligt hij nu, met om zijn hals een halsband die duidelijk maakt dat hij voortaan kunstjes zal moeten vertonen. Ook over deze voorstellingen zijn geleerde christelijke interpretaties in omloop, waarbij het hekje zou staan voor de maagdelijkheid van Maria, de hortus conclusus, (de besloten tuin), enzovoorts enzovoorts. Maar voor ons laat zo'n voorstelling iets anders zien.

Kunstwerken, ik zei het al, en ik heb het nu wel bewezen, zijn niet al te betrouwbaar als het gaat om een spiegel van de werkelijkheid. Wat ze wel erg goed laten zien is hoe wij ons tot onze zwijgende mede-aardbewoners verhouden. Een manier waarop wij dat doen is door er onwillekeurig van alles op te projecteren en aan toe te schrijven. Een andere is door ze te vangen en er mee te pronken als met een kostbaar voorwerp.

En het opvallende is dat we dit allemaal zelfs met verzonnen dieren doen, als we de kans krijgen.

Wat ik onder meer heb willen vertellen in dit verhaal is dat er, in het domein van de kunst, niet zo'n grote afstand is tussen fabeldieren en echte. En ook dat onze eigen verhouding tot het dierenrijk eeuwenlang, en ik denk nog steeds, wordt geregeerd door emoties en mythologie. En als je dat ergens kunt zien, is het in de kunst. Ook in aanleg echte dieren, zoals de Indische rinoceros en de olifant worden, zodra ze het domein van de kunst betreden, vaak met behulp van wat vereenvoudiging en overdrijving, al gauw vreemde wonderwezens. Ze betreden het land der fabelen, het rijk dat is samengesteld uit een beetje waargenomen anatomie, een flinke hoeveelheid sterke verhalen, een nog een schepje onderhuidse angst voor die grote onvoorspelbare wezens, en natuurlijk ook de behoefte om de baas te spelen.

Het vergt misschien een uitzonderlijk kunstenaar zoals Rembrandt om zo'n dier, zo'n fabelachtige reus, in zijn echte, complexe, authentieke waarde te laten zien.