Meervoudige wonderen

Uit Kunstschrift "Gescheiden, herenigd" nummer 2, 2014.
> Bestel nummer


Vandaag hangen ze hand in hand in de National Gallery in Londen, al eeuwen gevangen in het aquariumachtige, halfdoorschijnende medium van nat in nat geschilderde laagjes olieverf.

Naast een model van verhuld symbolisme en van betoverend realisme kent dit schilderijtje ook een oude reputatie van een huwelijkscontract in schilderij-vorm. De zestiende-eeuwse Van Mander beschreef het als 'in een Tafereelken twee Conterfeytsels van OlyVerwe, van een Man en een Vrouwe die malcander de rechter handt gaven als in Houwelijck vergaderende', en daarmee plaatste Panofsky het schilderijtje in traditie van huwelijks-voorstellingen die terugvoert tot Romeinse sarcofagen.

Huwelijks-schilderijen waren er wel meer in de tijd van voor de fotografie, maar als Jeanne Cename/Giovanna Cenami en Giovanni Arnolfini niet op een enkel plankje waren geschilderd, was de kans miniem dat ze vandaag nog bij elkaar waren.

Dit kleine feit werpt een bijzonder licht op de kunst tot 1500 in zijn geheel: hoe weinig van die kunst nog intact is, als gevolg van het feit dat die kunst zelden uit één stuk was. Dat geldt voor de portretten van echtparen of vrienden, maar ook voor altaarstukken in hout, ivoor of steen, beeldengroepen, schetsboeken, getijdenboeken, kortom voor alles waar een kunstzinnige hand aan te pas kwam.

Daarbij kwam dat kunstvoorwerpen niet altijd met dezelfde egards werden bejegend als wij dat nu gewoon zijn te doen. Vooral seculiere kunstvoorwerpen, sierselen en portretten in privéhuizen, hebben de malende kaken van de tijd nauwelijks ontlopen. Wat ons rest aan middeleeuwse kunst is voor negentig procent religieus, niet omdat er alleen maar kerkelijke kunst werd gemaakt maar omdat het religieuze aspect een zekere bescherming bood - tot de beeldenstorm ook dat bastion omlaaghaalde. In die tijd, in de Nederlanden het jaar 1566, een inktzwarte bladzij in de kunstgeschiedenis, was alleen het aller, aller kostbaarste en heiligste nog een beetje veilig, eenvoudig omdat het door zorgzame handen in veiligheid werd gebracht. Maar ook dat was een betrekkelijke veiligheid, zoals de grote meerdelige wonderen uit de westerse kunstgeschiedenis bewijzen: het Lam Gods van Jan van Eyck, en zijn oudere, zuidelijke tegenhanger, de Maesta van Duccio, het grote altaarstuk van de kathedraal van Siena, vijf meter hoog, bestaande uit vele tientallen panelen rondom de centrale voorstelling van een getroonde madonna met heiligen en engelen.

Over de Maesta is nog een ooggetuigenverslag dat verhaalt hoe het na de voltooiing dor de stad werd onthaald, op 9 juni 1311, in een enorme processie, waar ongeveer de hele Sienese bevolking in was betrokken. Een wereldwonder van de hoogste orde. Maar ook een gebruiksvoorwerp. In 1711 werd het ontmanteld en verspreid over twee afzonderlijke altaren. Losse panelen raakten in het ongerede, waarbij een enkel paneeltje, van de engel Gabriel, uiteindelijk via de kunsthandel in Nederland terechtkwam: in de collectie Van Heek in huis Bergh.

En hier ontmoeten we de allergrootste echtbreker uit de kunstgeschiedenis: de handel, die al heel vroeg, soms al in de zestiende eeuw, begon met het verzagen van kunstvoorwerpen die meer geld opbrachten als ze in stukken werden verkocht. Die tendens bereikte zijn hoogtepunt in de negentiende-en twintigste eeuw, toen verzamelaars zoals Van Heek goud betaalden voor oude fragmenten, en die ten toon stelden als de autonome kunstvoorwerpen die ze nooit waren geweest.

De verhalen van overdwars doorgesneden altaarstukken, uiteengerukte ivorengroepen en afgescheurde tekeningen brengen een heel eigen drama mee, waarin artistieke, politieke en psychologische motieven allemaal meespelen. De meest ontroerende vorm van reconstructie, scheiding en hereniging bevindt zich in de privesfeer: dat van de verlovings-en huwelijksportretten waar het Huis Bergh in 's Heerenberg een kleine tentoonstelling aan wijdt. En hier schuilt de waarheid vaak in de achtergrond, op de plaatsen waar je niet meteen kijkt. De letters in een boek. Een tafelkleed.

Toch is er ook een andere kant. Het is geweldig als oude familieleden elkaar hervinden, maar in de kunst voor 150 werd er niet altijd even veel gewicht gehangen aan het vraagstuk van de compleetheid. Soms werd contractueel vastgelegd welke delen van een groot werk door de meester zelf moesten worden gemaakt, en ook welke materialen daarbij moesten worden gebruikt. Er was wel degelijk een besef van onderscheid tussen meesterhand en mindere hand. Maar voor het geheel van het kunstwerk was zelden een absolute afspraak van eigenhandigheid van kracht. Sommige van die complexe middeleeuwse kunstwerken werden zelfs niet op voorhand als geheel ontworpen. Eerder maakten ze een geleidelijke groei door, zoals ook kathedralen dat deden. Als hun functie veranderde, of om een of andere reden gemoderniseerd moest worden, dan breidden ze gewoon uit, of krompen ze in, of ze splitsten zich. Daar werd in die eeuwen niet zo zwaar aan getild, zoals ook het punt van meerhandigheid niemand stoorde.