Het feest achter de gordijnen


(eerste druk uitverkocht, tweede druk 2 december 2011) te bestellen bij kunstschrift@xs4all.nl, longlist librisprijs 1996.

> Bestellen

De kunstenaars die in dit boek ter sprake komen vormen het tweede echelon van de overzichtsboeken, dat meestal wordt voorgesteld als een ongedifferentieerde verzameling pionnen. Ze zijn niet modern, niet baanbrekend en over het algemeen niet hooggestemd. Ze wilden verstrooien, betoveren, amuseren en informeren, alles behalve een leerzaam voorbeeld stellen of een baan breken. Dat wil niet zeggen dat ze maar wat deden. Stuk voor stuk hebben ze hun specialisme tot een fabelachtige verfijning gebracht, met een enorme inzet van talent en inspanning. Ze maken deel uit van een aparte canon: het beste van wat er tussen 1850 en 1900 werd gemaakt, niet volgens de maatstaven van de moderne kunst, ook niet volgens die van de oude Art officiel.Technische perfectie, schoonheid, historische waarachtigheid, sentiment, fantasie, anekdote, sensualiteit, nostalgie en verstrooiing: zo zou je de specialiteiten van deze categorie kunstenaars kunnen typeren. De kunstenaars in dit boek zijn elk gekozen volgens een criterium van anti-modernisme. Met andere woorden: stuk voor stuk kunnen ze iets, zijn ze gespecialiseerd in een eigenschap die hen, volgens de normen van de moderne kunst, bij uitstek diskwalificeert als echte kunstenaars.

Jean-Leon Gérome: kunstenaar zonder handschrift

De ware kunstenaar heeft een herkenbaar handschrift waarin zijn artistieke persoonlijkheid afleesbaar is/ (ware kunst is niet glad).

James Tissot: de definitie van mooi

Ware kunst is niet mooi. Wel: interessant, diepzinnig, gekweld. De ware kunstenaar distantieert zich van dingen die het publiek mooi vindt (Venetië, zonsondergangen, kinderen, mooie jurken).

Jules Bastien-Lepage: sentiment in het volle daglicht

Echte kunst is 'eerlijk', dat wil zeggen onvoorwaardelijk trouw aan de principes die worden geacht te horen bij de geest van de tijd. Het tegendeel is 'eclecticisme': een van de termen waarmee veel kunst uit de vorige eeuw is veroordeeld.Dat geldt bij voorbeeld voor de combinatie van een moderne schilderstijl met een onderwerpkeus die bedoeld is om de kijker te ontroeren. dat laatste is ongeacht de schilderstijl verwerpelijk: vals sentiment! Deze beschuldiging is zo ernstig en dwingend dat er al in 1900 binnen de kunst geen 'zuiver' sentiment meer bestond. Ware kunst is sindsdien wel emotioneel (mits mannelijk) maar niet doelbewust aangewend om ontroering te bewerkstelligen.

Arnold Böcklin: een droomwereld uit realistische onderdelen

Teveel fantasie is slecht voor de kunst, zeker wanneer die fantasie vrolijk gestemd is. Dit idee komt voort uit de strikte toepassing van de gedachte dat kunst ons een of andere waarheid moet onthullen. De waarheid is, sinds Nietzsche zich daarover uitsprak, per definitie zwart. Dus zijn sombere fantasieën per definitie een beetje waar, en daarmee artistiek acceptabel. En zijn vrolijke fantasieën per definitie onwaar en verdacht. Böcklin kon beide, vrolijk en melancholisch. Maar zijn vrolijke, gekke voorstellingen van nimfen en faunen hebben hem de das omgedaan.

William-Adolphe Bouguereau: specialiteit: zoete nimfen

Echte kunst is zinnelijk maar niet zoet. Zoetheid is de zuster van het sentiment: het bederf van de kunst. De moderne kunst is een keuken zonder suiker.

Albert Anker: de kunst en het dorp

Wee de kunst die zich leent voor het prentenboek. Dit verbod hangt samen met de inaanleg redelijke gedachte dat ware kunst geen verhalen nodig heeft. Anekdotes vormen het onderscheidende kenmerk van vrijwel alle populaire kunst. Het gevolg was dat ze al gauw de naam kregen van een virus waar geen geneesmiddel tegen bestand was, als het eenmaal een in kunstwerk was binnengeslopen. Dit oordeel gaat voorbij aan de enorme kwaliteitverschillen die er, ook binnen dit bescheiden genre, bestaan.

Rosa Bonheur: meesterschap in een dierenhuid

Ware kunst laat zich niet vangen in een genre. Een kunstenaar hoort zich niet te specialiseren in bloemen of koeien omdat hij dat aardige dingen of wezens vindt, of omdat hij nu eenmaal goed is in het schilderen van zo'n onderwerp. Zo'n keus getuigt ook van een weinig mannelijk temperament. Hier (en eigenlijk voor alle kunstenaars in Het Feest achter de gordijnen) geldt hetzelfde als voor Albert Anker: de veroordeling doet geen recht aan de geweldige verschillen in kwaliteit binnen het genre. Met als gevolg dat die kwaliteit sinds anderhalve eeuw een verloren kunst is.

Hans Makart: de hoorn des overvloeds

Echte kunst kan wandvullend zijn, maar is nooit zonder meer decoratief. In dit verbod huist sterker dan elders de gespletenheid van de twintigste-eeuwse kunst, omdat het streven naar een waarlijk 'decoratieve' kunst wel aan de wieg lag van het modernisme. Alleen werd dat decoratieve al meteen gekwalificeerd: het moest plat zijn, mocht niet al te realistisch zijn, et cetera. De vraag naar grote decoratieve kunst is de laatste jaren weer sterk gegroeid, maar sublieme wandversierders zoals Hans Makart bestaan niet meer.

Lourens Alma Tadema: virtuele Romeinen met een Victoriaanse oogopslag

Een laatste, maar niet het geringste uitgangspunt van het modernisme: het gekostumeerde drama is een dode kunst, zoals het latijn een dode taal is. Je kunt die taal wel spreken, maar echt tot leven komen kan zij nooit. Tegenhanger van het axioma: ware kunst is authentiek, recht uit het hart dus per definitie naakt: de waarheid draagt geen kostuum. In films, romans en muziek lijkt een flinke hoeveelheid kostumering geen bezwaar. En ook in de musea kijken wij nog steeds graag naar die ongelooflijk knap gemaakte schilderijen waarin een verloren wereld wordt opgeroepen. .

In deze parade van verloren kwaliteiten ontbreekt een categorie: die van de landschapschilders. Daarvan waren er veel in de negentiende eeuw, en ze hebben belangrijk bijgedragen aan de hoogtepunten van de negentiende-eeuwse erfenis. Maar een oude eik van Ferdinand Georg Waldmüller, een rivierlandschap van de Salonkunstenaar François-Louis Français of een hek in de sneeuw van Claude Monet: dat zijn allemaal takken van dezelfde boom, en allemaal kunnen ze bij het moderne publiek op een redelijke goodwill rekenen. Hetzelfde geldt voor de honderdduizenden stillevens die de negentiende eeuw ons heeft nagelaten.

Voor de schilders in dit boek geldt dat niet. Voor zover zij tot een kunsthistorische stamboom zijn toegelaten vormen zij, met al hun verbluffende kunnen, een aan lager wal geraakte tak.