Uit het leven gegrepen

Uit Kunstschrift "Beozzo Gozzoli" nummer 4, 2012.
> Bestel nummer

De wereld, tot sprookje getransformeerd - dit is de meest in het oog lopende bijdrage van de Italiaanse frescokunst. Vaak zijn de fresco's uit de dertiende en veertiende eeuw beschreven als een soort openluchtalbum voor de eenvoudigen van geest, zeg maar de bijbel in stripvorm, maar dat didactische oogmerk kan hun alomtegenwoordigheid maar ten dele en hun visuele complexiteit al helemaal niet verklaren. Eerder was het omgekeerd, en vroegen deze voorstellingen een behoorlijke kennis van de apocriefe en canonieke verhalen ( wie begrijpt vandaag nog de voorstelling van koning Nimrod die het volk aanspoort om de godheid Baal te aanbidden? ) Ze wekken sterk de indruk dat mensen toen leefden in twee parallelle werelden, die van de dagelijkse werkelijkheid en die van de bijbel. De wereld was doordrenkt van een soort feestelijke vroomheid. En bekeken vanuit dat perspectief, het geloof als een bron van vreugde en verstrooiing, was Benozzo Gozzoli de beste.

Zo was de kunst van het vertellen diep verankerd in de Italiaanse beeldcultuur, en Benozzo bouwde voort. Hoe hij dat deed is al goed te zien in de Franciscus fresco's, zijn eerste grote eigen werk, in Montefalco, het plaatsje waar volgens de legende Franciscus ook is geweest en een bron heeft doen ontspringen. Benozzo schilderde het leven van Franciscus in dertien taferelen. Elke scene is langs de onderrand voorzien van de didactische uitleg die begint met 'QUALITER of QUANDO: "Waarin verteld wordt... hoe Franciscus... De stijl van vertellen wijkt af van de normale opeenvolging, die net als stripverhalen van boven naar beneden moest worden gelezen. In Montefalco gaan ze van beneden naar boven, en volgens hen die het weten mag dit worden gelezen als een picturale metafoor voor Franciscus' verlichting: onderaan de geboorte van de heilige (in een stal), culminatie in de lunetten waarin zijn heiligheid wordt gehuldigd.

In de Franciscusfresco's is Gozzoli tamelijk ernstig voor zijn doen, en dat heeft misschien iets te maken met zijn nauwe samenwerking in zijn jeugdjaren met Fra Angelico. Benozzo was een van de assistenten bij de beschildering van de San Marco, en zijn grootste kenner, Diane Cole Ahl beschrijft in haar monografie hoe op veel schilderingen daar zijn hand herkenbaar is: in de plooival, en in de gezichten: vaak hebben ze een lange neus, klein kinnetje en dicht bij elkaar geplaatste ogen.

In zijn latere werk als zelfstandig schilder ontwikkelt hij ook een eigen fantasiewereld met herkenbare trekjes. Piero della Francesca, Mantegna en Fra Angelico, zijn grote tijdgenoten waren ernstiger, misschien ook diepzinniger in hun interpretatie van de verhalen, maar bij Benozzo moet je zijn voor uitbundige veelvoud, voor het geestige detail en ook voor een glimlach: zijn kleine Augustinus uit het Leven van Augustinus in San Gimigniano toont een parmantige wijsneus die zich niet laat afleiden door een ander kereltje dat op zijn blote billen krijgt en ook niet door een makker die hem betere pleziertjes influistert dan het boek onder zijn arm. Prachtig is ook het detail op de voorstelling van Augustinus' aankomst in Milaan, waar een knecht hem zijn sporen afbindt als teken van zijn overgang van de wereldse naar de spirituele levenshouding. Benozzo's schilderingen zijn gestoffeerd met bouwsels en landschappen vol diepte en afwisseling en reliëf. Overal zit iets om naar te kijken: zuilen, bogen, parasoldennen en plumeauvormige bomen, kinderen en grijsaards, bloemetjes, paarden en prachtige glanzende kleren en ook wonderlijke dieren zoals pauwen, panters en aapjes. Met dat al blijft hij altijd trouw aan de basisingrediënten van zijn eigen omgeving: de heuvels, de cipressen, de palazzi . Het is een ideaal, paradijselijk Italië wat Benozzo ons voor ogen tovert, onmiddellijk herkenbaar en onverwoestbaar lieflijk. Zelfs de nare scenes hebben altijd iets relatiefs. Sint Sebastiaan die met pijlen wordt doorboord staat geduldig en hooguit een beetje verstoord op zijn altaar te wachten op zijn hemelopname, te midden van alweer dat heerlijke zonovergoten landschap.

Maar voor sprookjesachtigheid heeft de wereld gek genoeg niet in elke tijd evenveel belangstelling. Na de zestiende eeuw raakten de fresco's van het dertiende- en veertiende-eeuwse Italië een beetje in diskrediet.. Het duurde tot de negentiende eeuw voor deze kunst werd her-ontdekt. Millard Meiss vertelt in zijn The Great age of Fresco hoe Goethe straal voorbijliep aan de Franciscuskerk in Assisi, een van de grootste schatkamers op het gebied van de kunst van het fresco, om te gaan mijmeren bij de overblijfselen van een Romeinse tempel. Op weg naar zijn tempel moet hij blindelings het ene na het andere kleurrijke tafereel zijn gepasseerd. Overal in midden Italië waren fresco's te zien, niet alleen binnen, ook buiten waren muren en façades bedekt met beeldverhalen. Kloostergangen waren vaak beschilderd en op kruispunten van landwegen stonden tabernakels met fresco's. Iedereen die ergens een stuk muur over had, en wat geld in zijn zak, liet dat stuk muur beschilderen. En dan schrijft Meiss dit: 'Soms werd een mindere meester uitgenodigd om een belangrijk werk te maken - Benozzo Gozzoli bij voorbeeld zou ikzelf, anders dan Piero de Medici, niet hebben gekozen om de kapel van mijn paleis te beschilderen.' Al was het niveau, voegt hij er een beetje zuinig aan toe, nog steeds hoog.

Meiss schreef dit in 1970, en uit zijn woorden blijkt dat er zelfs in de laatste vijftig jaar nog wel wat te ontdekken en te herwaarderen valt op dit breedgeroemde en in kaart gebrachte fenomeen. Henk van Os schrijft het ook in dit Kunstschrift: Gozzoli werd tot voort kort een beetje te min gevonden om met de groten mee te mogen doen. Duccio, Giotto, Masaccio en Piero della Francesca hebben ieder op zijn manier een geheimzinnige ernst en soberheid, iets kaals in de stoffering dat hun figuren nog meer intensiteit verleent. Het is de kwaliteit die bij voorbeeld een kunstenaar als Pyke Koch enorm intrigeerde. Voor Fra Angelico geldt dat hij een geïsoleerd leven leidde als schilderende pater, ver van de wereld zijn prachtige vrome madonna's schilderde.

Gozzoli was werelds, en dol op pronk. Zijn kunst school in de eerste plaats in de vertelling, en dat deed hij met een groot gevoel voor humor en detail.

Kijkend naar de voorstelling die Gozzoli maakte van de optocht van de Magiërs is het heel moeilijk je te onttrekken aan de illusie dat hier een inkijkje wordt gegeven in de vijftiende-eeuwse werkelijkheid. Dat idee wordt versterkt door de portretten van leden van de familie Medici en andere tijdgenoten waaronder Gozzoli zelf. En het is zeker dat er in Florence vaak optochten werden gehouden ter ere van een belangrijke bezoeker. Dergelijke optochten hadden ook vaak een thema, en de drie koningen behoorden tot de beschermheiligen van Florence. Er zit dus wel iets in om het zo te bekijken. Maar het is wel goed om tegelijk te beseffen dat deze wereld ook behoorlijk gewelddadig was, constante oorlog en conflict die diep in het dagelijks leven doordrong. De Florentijnse paleizen zien er niet voor niets uit als zwaar versterkte forten. Het gevaar loerde direct om de hoek, bij de buren die in hun eigen forten wachtten tot ze hun kans konden grijpen. Men was zijn leven niet zeker en moord was een dagelijks bedrijf. De hoogtijjaren van de frescokunst vallen samen met de opkomst van de Italiaanse stadsstaat en houden ook direct verband met de politieke omstandigheden. Al die hertogen hadden kunstenaars nodig om hun prestige te verhogen, hun vroomheid te belijden en zichzelf te laten afbeelden in het gezelschap van de nog groteren der aarde. Vaak een combinatie van de twee. Ook dit was een agenda die onder alle vrolijke vertelkunst schuilging.