Het handschrift van een zondagskind

Uit Kunstschrift "Isaac Israels" nummer 3, 2012.
> Bestel nummer

"Klein van stuk, trachtte hij zich zo groot mogelijk voor te doen door de korte benen en de kleine rug met de kordate vierkante schoudertjes zo gestrekt en rechtop mogelijk te houden."

Zo herinnerde de schilderes Wally Moes zich I.I. in haar autobiografische Heilig ongeduld uit 1916 .

Kunstenaars komen in soorten en maten. Je hebt lange, nadenkende, die vijlen en schaven aan hun oeuvre tot alleen het allerbeste overblijft (Pyke Koch). En er zijn kleine beweeglijke, die duizenden schilderijen en tekeningen de wereld in slingeren met hetzelfde onbekommerde gemak waarmee ze gelezen boeken op zolder gooien.

Naar het schijnt deed Isaac Israels dat; van sommige titels werden in zijn nalatenschap vijf, zes exemplaren teruggevonden, naast een grote hoeveelheid schetsboekjes. De duizenden schilderijen die hij heeft gemaakt hadden hun weg in de wereld grotendeels al gevonden. Anders had hij daar een pakhuis voor moeten huren.

Zo te leven en werken vergt een karakter dat je onthecht zou kunnen noemen; alles loslaten zodra het je handen is gepasseerd. En het lijkt er op dat Israëls dat, ook in het echte leven, had. Een treffende beschrijving van zijn karakter is degene van Elsbeth Veldpape in het boek Isaac Israels, croniqueur van het vlietende leven (Otterlo 1999):

'Ondanks zijn liefde voor mensen bleef hij vaak een buitenstaander. Hij had moeite zich te binden, zowel aan materiële zaken als aan personen. Veelgehoorde uitspraken van hem waren 'ik woon hier maar tijdelijk', of 'de straat is mijn huiskamer'. Hij had een hekel aan ruzie en maakte zich liever met een kwinkslag uit de voeten ('ik heb de eer u te groeten') dan dat hij de confrontatie aanging.'

Veldpape wijst op de overeenstemming tussen deze houding en zijn stijl van schilderen. Een dergelijke parallel tussen de man achter het penseel en de stijl of zelfs onderwerpkeuze is lang niet altijd houdbaar, maar hier gaat die ongetwijfeld op. In Israels' oeuvre is duidelijk sprake van een handschrift dat ook de maker zelf tekent: een groot vermogen om de essentie van een beweging of houding de raken, en ook die bijna aristocratische, onthechte flair die vaak voor het schilderij uit wappert en het soms verstoort.

Hiermee is het beste en het meest kritische dat je over Isaac Israels kunt zeggen wel samengevat. Wie vier boeken achter elkaar bekijkt met reproducties van werk van deze schilder ontkomt niet aan vermoeidheid. Maar telkens wanneer je denkt, 'nou weten we het wel' wordt je toch weer getroffen door iets dat echt steengoed is, en zo raak als niemand anders in Nederland dat kon.

Israels deed gewoon waar hij zin in had. Dat hij daarmee, na zijn vader Jozef, tussen 1890 en 1910 tot de best betaalde en meest aanbeden Nederlandse schilder behoorde, was meegenomen.

Van de omstreeks vierduizend schilderijen die Israels maakte zijn de meeste inmiddels uit het openbare leven verdwenen. Ze staan in depots, of hangen aan particuliere wanden.

Op veilingen doet hij het nog steeds goed, maar in openbare collecties moet je vaak even zoeken voor je, tussen de Breitners en de Haagse school, een Israels hebt gevonden. Ze zijn er wel: in Teylers hangt een trommelslaagster, in Kröller Müller het prachtige portret van Mata Hari, Singer, GroningenMaar er is veel meer dat de moeite van het koesteren waard is.

De huidige tentoonstellingen in Den Haag en Amsterdam laten daar mooie voorbeelden van zien. Het is de moeite waard om te gaan kijken: niet om uitsluitend exquise kunstwerken te zien. Maar wel om verrast te worden door deze bijzondere, nonchalante, irritante en eclatante, zeer begenadigde uitdrukking van talent.