Japan en Nederland: een liaison met een tragische rand

Uit Kunstschrift "Japan.nl" nummer 3, 2013.
> Bestel nummer

De verhouding tussen Nederland en Japan laat zich heel gemakkelijk beschrijven als een idylle, die begon op 19 april 1600, toen het fregat De Liefde, als enige van vijf waaronder Het Geloof, de Hoop, de Trouw en de Blijde Boodschap, de oostkust van het Japanse eiland Kyushu bereikte. Het boegbeeld, met de voorstelling van Erasmus, zo vertelt het boek "Holland, Japan en de Liefde"(2000), vond eeuwenlang onderdak in een Japanse tempel in Tochigi, waar de Rotterdamse humanist werd vereerd als beschermheilige van scheepsbouwers.

Een beter begin van de ontmoeting van twee verschillende werelden is eigenlijk niet mogelijk.

De daarop volgende geschiedenis concentreert zich rond het piepkleine kunstmatige eilandje Deshima, dat tussen 1641 en 1854 uitsluitend door Hollanders mocht worden betreden. Daarbuiten was Japan door de toenmalige heersers onderworpen aan een streng regime van isolement.

Een gevolg van die beperkte toegang voor westerlingen was dat Hollanders vanaf hun eilandje eeuwenlang de spreekbuis vormden van alles wat er aan westerse kunst, cultuur, wetenschap en techniek Japan binnenkwam. En zo kon het gebeuren dat niet alleen de het Nederlandse geneeskunde, kunst en civiele techniek maar ook de Nederlandse taal door Japanners werd bestudeerd. Er waren Nederlands-Japanse woordenboeken; en in de achttiende eeuw vormde De Lairesses Groot Schilderboek (1707) de enige en gretig bestudeerde bron voor Japanners van westerse kunstopvattingen en technieken.

Op grond van deze wonderbaarlijke feiten zou je verwachten dat Nederland sinds de zeventiende eeuw hét centrum is van Oost-Aziatische kunst in Europa. Dat was niet zo; de Hollanders verbleven op Deshima om handel te drijven met Japan, van en naar het VOC hoofdkwartier in Batavia. Handel in van alles, als het maar geld opleverde. Zoals Roelof van Gelder in Kunstschrift vertelt vormden kunstvoorwerpen en curiosa een bijproduct van de ladingen die van oost naar west voeren., Maar onder de Hollandse opperhoofden op Deshima (een grootse en enigszins komische functie-omschrijving, wanneer men bedenkt dat er hooguit vijftien man tegelijk op het eilandje woonde), bevonden zich individuen die zich ontwikkelden tot orientalisten met een een diepgaande belangstelling voor en kennis van de kunst en cultuur van het land. Deze mannen waren voorafgegaan door alweer een Nederlander: Jan Huygen van Linschoten, die in 1596 als eerste een boek schreef over Japan, overigens zonder er ooit zelf te zijn geweest. Toch schijnen zijn feiten goed te kloppen.

Wat Van Linschoten begon werd geleidelijk aangevuld door personen als Isaac Titsingh, Jan Cock Blomhoff en bovenal Philipp Franz von Siebold; de eerste twee opperhoofden, de laatste aangesteld als chirurgijn op Deshima, gespecialiseerd in oogziekten en gynaecologie. Allemaal legden zij verzamelingen aan die nog steeds de grondslag vormen voor collecties Japonica in Nederland.

Over het leven van de grootste Japanoloog onder hen, Von Siebold is veel bekend, en dat leven maakt zichtbaar dat idylle in de dagelijkse werkelijkheid het woord niet was waarmee de ontmoeting tussen oost en west zich het best laat aanduiden. Die werkelijkheid stond heel wat dichter bij de tragische geschiedenis waar Puccini's befaamde opera Madama Butterfly op is geënt: het verhaal van de Amerikaanse officier Pinkerton die een huis huurt in de heuvels van Nagasaki en trouwt met een vijftienjarig Japans meisje, Chio-Chio San (Vlinder), wetend dat hij haar na terugkeer zal inruilen voor een Amerikaanse. Zo gebeurt: Pinkerton vertrekt, Chio-Chio krijgt een kind, en wacht op zijn terugkeer. Als hij uiteindelijk terugkeert met zijn Amerikaanse vrouw Kate staat zij haar kind aan het echtpaar af en pleegt zelfmoord.

Dergelijke geschiedenissen moeten zich meermalen hebben voorgedaan in het Japan van voor de openstelling. De verhoudingen waren van dien aard dat er eigenlijk niet aan te ontkomen viel. Vrouwen, ook westerse, werd de toegang tot Deshima streng verboden. De enige vrouwen die het eiland mochten betreden waren zij die bereid waren hun paspoort in rode letters te laten bestempelen met het beroep 'prostituee'. Verveling, eenzaamheid en isolement deden de rest.

Siebolds verhaal vormt een bijzondere variant van het Butterfly-motief, realistischer, ontdaan van melodrama maar toch ook tragisch. Ook hij was getrouwd met een Japanse die een kind van hem kreeg, een dochter. Hij werd na twee jaar verbannen door de Japanse Shogoen toen ontdekt werd dat Siebold geografische kaarten had laten kopiëren. Pas dertig jaar later keerde hij terug naar zijn geliefde Japan, om te ontdekken dat Sonogi, net als hijzelf, was hertrouwd; zijn dochter Oine had zich onder de hoede van Siebolds leerlingen ontwikkeld tot Japans eerste vrouwelijke gynaecoloog.

Intussen had Siebold een enorme collectie verzameld van botanische, zoologische en etnografische voorwerpen die zich grotendeels in Leiden bevinden, maar ook in Duitsland, Rusland en Engeland. Een prachtig beeld van die collectie kan men zich vandaag nog vormen in zijn voormalige huis aan het Rapenburg nummer 19 in Leiden.

Siebold was niet de enige of de laatste kenner en verzamelaar van Japonica in Nederland. In de negentiende eeuw werd het een rage die tot uitdrukking kwam in theeceremonies en tableaux vivants, naast verzamelingen zoals die van Hendrik Willem Mesdag. En de meest blijvende getuigen van die rage zijn nog te vinden in kunstwerken zoals Breitners spreekwoordelijke, door en door Nederlandse, meisje in kimono.

Tot zover de even buitengewone als oude relatie tussen Nederland en Japan: idyllisch met een tragische rand, grotendeel geënt op handelsbelangen die maar beperkt ruimte lieten voor culturele uitwisseling.

Maar wat binnen die marges treft als bijzonder, misschien wel uniek in deze geschiedenis van culturele vermenging is de wederkerigheid. Normaal gesproken worden bijna alle ontmoetingen tussen exotische en Europese culturen getekend door een machtsverhouding die zich het vriendelijkst laat omschrijven als ongemakkelijk. Ongelijkheid, exploitatie en racisme zijn vaste bestanddelen. In deze geschiedenis zijn die elementen ook aanwezig (nog los van de oorlogsgeschiedenis, die een heel eigen, veelbesproken tragiek met zich meebracht), maar als ze bestonden, dan waren ook die wederzijds: zoals oosterlingen bij ons wel werden afgeschilderd als halve apen, zo werden wij door hen menigmaal in woord en beeld neergezet als varkens en honden. En in plaats van uitbuiting overheerst toch de indruk van positieve uitwisseling. Wij kregen van hen de botanica en de kunst, zij van ons de geneeskunde en de techniek. Zelfs de culturele overname was wederzijds. Tegenover ons Japonisme staan verhalen over Japanners die zich een Nederlandse naam aanmaten en hun huis geheel in Europese stijl inrichtten.

De betekenis van de Japanse kunst voor de Europese, halverwege de negentiende eeuw is welbekend; het oeuvre van Van Gogh zou heel anders zijn geweest zonder de Japanse prenten, hetzelfde geldt voor Monet en Degas. Minder bekend is hoe Japanse kunstenaars , zoals Shiba Kokan en Aodo Denzen kopieen maakten naar de koperplaten uit Lairesses Schilderboeck, en van daaruit hun eigen kunst diepte en schaduw gaven.

Samoerai bouwden, net als Amsterdamse kooplieden, volieres waarin ze exotische vogels zoals pauwen hielden. Soms, in het porselein en de lakwerken, gaat het zo ver dat moeilijk te zeggen valt of een voorwerp van Japanse of Nederlandse origine is, of een echte mengvorm, waarbij de basis Japans is en de beschildering Hollands, of omgekeerd. En natuurlijk zijn er de talloze voorstellingen waarop de feitelijke ontmoeting te zien is, tussen west en oost.

Naast gelijkwaardigheid is er nog iets anders dat treft aan de wonderbaarlijke geschiedenis van de uitwisseling tussen Holland en Japan, en dat is de enorme plooibaarheid die dit liaison door de eeuwen heen vertoont, tot de dag van vandaag. Over het algemeen zijn buitenlandse invloeden sterk aan modes onderhevig, maar de invloed van Japan lijkt telkens opnieuw te worden herboren. Van de zeventiende eeuw tot diep in het modernisme, tot de huidige volkscultuur van cartoons, tekenfilms en niet te vergeten de tatoeage, telkens zijn het weer nieuwe facetten die zich voegen naar de westerse honger naar vernieuwing en verjonging.