Over Fotografen, koorddansers boven een gat in de markt

geschreven in opdracht van de Stichting Amsterdams Fonds voor de Kunst


De fotografie is uitgevonden in dezelfde eeuw waarin de stoomtrein, het crayon voltaique, de kettingfiets, de steendruk en de seksualiteit zijn uitgevonden en binnen deze reeks behoort zij tot de uitvindingen waar nog steeds dankbaar van gebruik wordt gemaakt. Telkens weer lijkt er iets anders, nieuws mee gedaan te kunnen worden; tegelijk zijn het grotendeels varianten van toepassingen die zich in een razend tempo, tussen 1839 en 1855, hebben ontwikkeld.

De groep mensen die al in de begintijd zo geobsedeerd was om van het fotograferen een broodwinning te maken, was zo groot dat je je kunt afvragen wat al die mensen eigenlijk deden voordat de fotografie bestond. Nu wil het geval dat daar een antwoord op is, te vinden in de tijd waarin de fotografie nog nét niet was uitgevonden. In de geschiedenisboeken worden die proto-fotografen vaak voorgesteld als kunstenaars en miniaturisten maar dat is volgens een onderzoek van E. Anne McCauley (1984) niet geheel realistisch. Dezelfde mensen die in 1850 kleine fortuinen neertelden voor lenzen, balgen en emulsies hadden die fortuinen, althans volgens de statistieken uit de Franse Kamer van Koophandel, vaak verdiend met kleur- en geurrijke vormen van broodwinning. Men verkocht reukwater, gaf lezingen over mesmerisme, trok tanden, ontwierp decors of speelde toneel, masseerde, verkocht linten en dameslingerie, kortom allemaal bezigheden die meer verwantschap hebben met het exploiteren van een dikke dame op de kermis dan met het schilderen van portretten of landschappen. Deze mensen bevonden zich weliswaar niet in de onderwereld maar toch, heb je de indruk, in een wereld die zich een treetje beneden het alledaagse straatniveau bevond, en een paar treden onder de nette burgerij.

Vaak hebben ze iets dat je zou kunnen omschrijven als lichtelijk onaangepast, zonderling of avontuurlijk. En als ze zich, tussen 1940 en 1850, tot de fotografie bekenden, dan was het niet zelden met een gretigheid en totale devotie die voor buitenstaanders niet goed te begrijpen valt. Beroemd is het verhaal van de oude Daguerre, wiens vrouw bij de dokter naar de geestelijke gezondheid van haar echtgenoot ging informeren. Naar verluidt antwoordde deze dokter dat daar niet noodzakelijk iets abnormaals mee aan de hand was. Deze anekdote bevestigt mij in mijn overtuiging dat er, ook zonder een enorme markt voor foto's en fotografica, fotografen zouden zijn. Een element van goudzoekerij was onmiskenbaar aanwezig bij grote groepen aspirant-fotografen, maar het was verbonden met iets anders. Het lijkt alsof het juist de vluchtigheid, on-soliditeit van het fotograferen is die zich bij de liefhebbers zo sterk doet gelden: het verzamelen van indrukken. Het is een bezigheid die zich in dit opzicht misschien het best laat vergelijken met geluidsjagen of schaken. Er is geen enkele vraag naar schaakoplossingen, behalve onder schaakliefhebbers. Toch zijn er mensen die hun leven besteden aan het vinden van zulke oplossingen.

De vroege geschiedenis van de fotografie is doortrokken van de faillissementen: het eerste commerciële fotolaboratorium bijvoorbeeld, de Imprimerie Photographique van Blanquart-Evrard, ging al in 1855 over de kop. Het systeem was te duur, dat was het probleem (later, in de jaren van George Kodak Eastman, zou dat probleem effectief worden opgelost). Er waren ook andere redenen waarom een fotograaf opeens brodeloos kon worden; soms voorspelbare, vaak zeer grillige en irrationele, afhankelijk van de richting die iemand had gekozen. Het uitbreken van een oorlog bijvoorbeeld was voor een fotograaf van cartes de visite een ramp, terwijl het voor een oorlogsfotograaf een nieuwe opdracht betekende.

Desondanks is het opvallend hoe snel de fotografie zijn min of meer definitieve gestalte aannam. Binnen vijftien jaar was de uitvinding eigenlijk klaar. Dat geldt voor de gangbare toepassingen, voor het daarmee samenhangende ftografische procédé en ook voor het schemerige, half romantische cachet dat dit beroep nog steeds omgeeft.Dit door menig historicus en socioloog zo verafschuwde beeld wordt opmerkelijk bevestigd door de biografieën van fotografen.

Het volksgeloof zegt dat mensen die slaapwandelen, dingen kunnen die ze in wakende toestand nooit zouden kunnen, bij voorbeeld koorddansen. Deze biografieën worden bevolkt door mensen die aanvankelijk menen in een heel ander doolhof te lopen dan dat van de fotografie, om op een gegeven moment op het gat in de markt te stuiten (en er soms in te tuimelen).

Ik heb de indruk dat juist een flinke dosis on-professionaliteit erg bepalend is voor die geschiedenis, waarin amateurs, professionals, kwakzalvers en kunstenaars met een opmerkelijke wanordelijkheid door elkaar lopen. Het is een feit dat fotografen zelf bij herhaling pogingen hebben ondernomen om zich, bijvoorbeeld als kunstenaar, te onderscheiden van amateurs en eenvoudige broodfotografen. Maar erg overtuigend is dat onderscheid nooit gebleken.

Daarom heb ik gekozen voor een laag standpunt: dat van een klein aantal fotograferende individuen. Voor zover het woord 'markt' daarbij zal opduiken, is dat vooral in de betekenis van een wijkplaats, een plek waar een bepaald slag mensen een bestemming aan zijn of haar leven kon geven. Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat alle pakweg zevenduizend Nederlandse beroepsfotografen aan het psychologische profiel van de begaafde zonderling of de voortvarende somnambilist beantwoorden, of dat alle fotografen op elkaar lijken. Maar ik ben ervan overtuigd dat dit beroep een toevluchtsoord is geweest voor bepaalde mensen. En het zijn die mensen die de geschiedenis van de fotografie bepalen.