Het Reizende Detail


In 2000 ontving de redactie van Kunstschrift de Prins Bernhardfonds Cultuurprijs voor de Geesteswetenschappen. Van deze prijs hebben wij dit boek gemaakt. Het bevat 17 beschouwingen door verschillende auteurs over kunstenaarswerkplaatsen in de Nederlanden.

Het boek is inmiddels uitverkocht.

Enkele fragmenten uit de inleiding op Ateliergeheimen:

Het is zomer, 1445. In een Noord-Europese stad bevindt zich in een kamer de heilige Maagd, herkenbaar aan haar geplooide mantel en haar ovale gezicht. Ze zit op een troon, met het kind, of een boek op haar schoot. Er zijn ramen met een uitzicht over bossen en velden. Op de vloer ligt een oosters tapijt. De kamer is spaarzaam gemeubileerd: een houten bank, een bed, een fraaie schoorsteenmantel. Naast Maria bevindt zich een klein gezelschap van guranten in het vertrek, zacht prevelend of turend in een boek. Soms is er een engel in een wit gewaad en, eerbiedig terzijde, een paar individuen in dure vijftiende-eeuwse kledij.

Dit is wat je voor je ziet bij het begrip ‘Vlaamse primitieven’. Zoals de meeste kunsthistorische etiketten is het een begrip dat toevalligerwijs aan de lading is blijven kleven, in vroegere jaren toen het fenomeen net was ontdekt. Het klopt niet, de meeste van deze kunstenaars waren geen Vlaming, en primitief is ook niet het woord waarmee we vandaag deze wonderwerken zouden omschrijven. Maar het werkt. We voelen ons onmiddellijk verplaatst naar die vroege, langzame tijd, de vijftiende eeuw, een rustige zonbeschenen dag, een kamer met open ramen waarin de tijd lijkt te zijn gestold in dat ene, kalme tafereel.

Er zijn ook heel andere voorstellingen die zich onder het begrip ‘Vlaamse primitieven’ laten vangen. Laatste Oordelen, grote meerluiken, bedoeld voor openbare gebouwen: kerken, kapellen, rechtszalen en ziekenhuizen. Die Oordelen zijn ver verwijderd van de huiselijkheid van de zachte, noordelijke Maria in haar vertrek. Toch passen ook die moeiteloos en vanzelfsprekend binnen de droomwereld van de Vlaamse primitieven, of de ars nova zoals een moderne aanduiding luidt. Het is een verre wereld, en ook weer niet. Je kunt er niet in, maar als je er voor staat is het alsof een kleine handeling, een tikje, voldoende zou zijn om het glas tussen hen en ons te breken.

Want dat is het geheim dat de Brugse en Gentse ateliers bezaten: hun eigen wereld weer- geven alsof die zich vijfhonderd jaar later nog steeds vlak onder onze ogen voltrekt.

Het is een beperkte wereld, bewoond door figuren die onmiddellijk herkenbaar zijn. Die gave ovalen met hoge voorhoofden, kleine kinnetjes, kleine monden en gladde, bijna haarloze oogleden. Niemand heeft er moeite mee zich zo’n gezicht voor de geest te halen. Ze verschijnen rond 1425 voor het eerst in de Vlaamse kunst. En nu het bijzondere: binnen enkele decennia kon een liefhebber met toegang tot kerkelijk of vorstelijk kunstbezit deze gezichten tegenkomen in het hele gebied tussen Portugal en Polen. Het heeft iets weg van een reusachtige familie waarvan de leden zich, met huisraad en al, in korte tijd over Noord-, Zuid- en Oost-Europa verspreidden.

Hoe kon zo’n familieverwantschap in artistieke zin, in de vorm van schilderijen en beelden, zich in zo korte tijd verplaatsen over een ruig gebied van duizenden kilometers omtrek, zonder goede verbindingen, doorsneden met bergkammen, moerassen en dorre vlaktes? En waarin hield die verwantschap zich schuil?