Kunstschrift 2, 2015: Scherp Kijken

Realisme is geen isme zoals kubisme, futurisme of surrealisme dat waren. Al die stromingen onderscheidden zich van de gangbare in de vroege twintigste eeuw met manifesten en leuzen over de nieuwe tijd. Realistische schilders maken gewoon schilderijen, kun je zeggen. Daar is geen manifest, en dus ook geen isme voor nodig. Als realisme iets is, dan is het een verzamelbegrip. Alles waar de goede oude illusie nog in meespeelt.

Maar het succes van de moderne kunst rond 1911, dat na de oorlog synoniem werd met de bevrijding, maakte dat kunstenaars die de realiteit nog wilden gebruiken, hun keus moesten uitleggen. Tenminste als ze een stem wilden hebben op het internationale podium van de kunst. Persoonlijkheden als Willink en Koch begrepen dat er een strijd gestreden moest worden, en het wapen dat ze inzetten was een scherp geformuleerde afbakening van de plaats van hun werk binnen het grote nevelige niemandsland van de illusie. Willink beschreef zijn werk als ‘de confrontatie met de nooit geruststellende, nooit geheel kenbare verschijningswereld, waarin het kleinste, meest vertrouwde voorwerp plotseling een vreesaanjagend, ongrijpbaar ‘ding’ kan worden’. Koch sprak over ‘een wereld die van de gewone werkelijkheid is afgesneden door een voorzichtige, nauwelijks merkbare snede met een scheermes, en niet zoals bij de surrealisten door middel van een bijlslag’.

Deze beide beschrijvingen, van de potentiele dreiging van het geringste voorwerp, en van de scheermesdunne snede tussen onze wereld en die andere, doet een groot deel van het moderne realisme recht. Dat is interessant. Kennelijk is er toch wel een gemene deler in de moderne realistische kunst. Ik denk dat je die noemer ‘de kunstzinnige blik’ zou kunnen noemen, waarin de verplaatsing van mensen en dingen naar het domein van de kunst zelf onder de loep wordt genomen. Soms vindt de overgang van werkelijkheid naar kunst plaats in een lichte vertekening, of interessante overlapping, en soms is die tot in het krankzinnige uitvergroot. Hollen of stilstaan als middel om ons wakker te maken voor een bepaald visueel effect: kijk hier eens naar! En bijna altijd speelt de metamorfose zelf een rol in het kunstwerk. Dit lijkt sprekend op een vaas, vrouw, appel, maar is het niet!

Deze manier van werken komt dicht in de buurt van de literaire verbeelding, met andere middelen. Dingen en mensen uit de werkelijkheid lichten, en verplaatsen naar een andere, illusoire, opgebouwd uit verf of woorden, waar de heel eigen wetten gelden. Wetten van selectie: wat beeld je af, en hoe zet je dat neer, welk materiaal kies je daarbij, hoe licht je het uit; olie of acryl, penseel, kwast of paletmes, doek of paneel. Een fijn web van keuzes en vaardigheden, waaruit als het goed is een kunstwerk ontstaat dat binnen zijn eigen voorwaarden volmaakt is. De groene stoel van Barend Blankert uit 2000 bestaat ook in het echt, een lelijk meubel uit een andere tijd. Hij staat in zijn huis in Frankrijk. Maar in zijn schilderijen krijgt hij een heel merkwaardige, unieke aanwezigheid, vagelijk symbolisch voor alles wat je ‘de wereld van Blankert’ zou kunnen noemen. Die stoel neemt zijn eigen ruimte in, hij kijkt ons aan en vertelt een eigen verhaal, in dat mooie, heldere zijlicht waarin alles zo zichtbaar wordt.

Jan Beutener is een sophisticated speler met de scheermesdunne snee tussen illusie en abstractie. Hij schuift die twee elementen tegen elkaar, als schaakstukken op een bord, op zoek naar een absolute remise, waarin abstract en illusie elkaar ontmoeten.

Annemarie Busscher opereert op de rand van de afsnijding; haar portretten zijn groter en aanweziger dan echte gezichten dat ooit zijn. En op een heel andere manier doet Charley Toorop dat ook. Zij dwingt ons terug te kijken in dat gezicht dat ons op zijn beurt zo scherp observeert.

Realisten. Fantasten. Eigenwijze eenlingen, allemaal.