Schilders van de 19e eeuw




Wie zich in de negentiende eeuw begeeft, moet een paar dingen even weten. Een daarvan is dat er niet maar één negentiende eeuw is. Er zijn er vele, sommige onderling strijdig. Maar al die aspecten hebben ook een paar eigenschappen gemeen, die hen toch bindt. Een van die eigenschappen is de enorme vrijheid die die eeuw bood op het terrein van de kunstzinnige expressie. Vooral na 1850 is de keus aan werelden binnen de beeldende kunst bijna oneindig: van de adembenemende intimiteit van schilders als Fantin Latour, Sisley en Albert Anker tot de buitensporige donderslagen van Klinger en Von Stuck.

Een ander universeel kenmerk van die eeuw, door alle stijlen en smaken en nationale verschillen heen, was de heerschappij van de emotie. En zo ontstond de kunst die in dit Kunstschrift centraal stond, waarin verhalen en fantasieën worden aangegrepen om een emotionele toestand te vertolken, of een diepe levenswaarheid over geboorte, liefde en dood. Pas later, in de twintigste eeuw, zou de heerschappij van de emotie leiden tot de hele en halve abstractie van bij voorbeeld Mark Rothko of Arnulf Rainer. In wezen komt die kunst voort uit dezelfde denkwereld: dat kunst bovenal gaat om de vertolking van de emotie.

Bilder ohne Worte: zo zou je deze kunst kunnen aanduiden, met een variatie op een bekend muzikaal genre. Veel van de laat negentiende eeuwse schilders verwezen ook graag naar muzikale geestverwanten: Franz Liszt, Johannes Brahms en Wagner waren inspiratiebronnen voor kunstenaars als Stuck, Böcklin en Klinger. En zoals de negentiende-eeuwse muziek nog vasthield aan het beginsel van de harmonie en de melodie, zo hield de kunst nog vast aan de voorstelling. Het begrip 'voorstelling' , in de zin van 'verbeelding', was voor kunstenaars als Böcklin zelfs een kernbegrip. In het volmaakte uitdrukking vinden voor de "Vorstellung", de zuivere fantasie, school het geheim van de kunst. En het was ook die eigenschap die in Böcklin meer dan in welke andere kunstenaar werd geëerd.

Vandaag vormen de kunst van de impressionisten en hun navolging een wereld apart, geheel gescheiden van die van de Salontijgers en de laat-romantische symbolisten. Maar in hun eigen tijd lagen die grenzen nog niet zo scherp. Er was bovenal een enorme hoeveelheid kunst, en ook een verbluffende hoeveelheid talent.

En er waren nationale tradities: de Franse impressionisten en de salonschilders, de engelse prerafaeliten en de Duitse Malerfürsten. Vooral die laatsten zijn sterk verbonden geraakt met wat wij hebben leren onderscheiden als de kunst van het fin de siècle: een uitdrukking die de 19de eeuw zelf heeft bedacht en waarmee zij zich volledig identificeerde. Het idee dat een eeuw die ten einde loopt, ook kunst voortbrengt die zich beweegt op de randen van de afgrond. Een decadente kunst, waarin alles mogelijk is.

Voor ons is de kunst van de late Duitsers heel vreemd: al die sfinxen en zondige naakten, al die kentauren en landschappen vol broeiend onweer. Eigenlijk vinden we alleen in de opera nog sporen terug van die wereld waarin de grote machtige driften de vrije teugel krijgen.

Om te begrijpen waar deze kunst om draaide helpt het om te beseffen dat we in de Duitse laat-negentiende eeuwse kunst de wereld terugvinden waaruit ook Freud's Traumdeutung en Nietszsche's Geburt der Tragödie zijn ontstaan: het geloof dat de voedingsbodem en de waarheid van het leven en ook van de kunst verscholen ligt onder het smeulende oppervlak van de vulkaan. Daaronder roeren zich de ware bewegingen die het leven voortstuwen, die de Grieken al kenden als het Dionysische.

Voor de negentiende-eeuwers werd het Dionysische nogal eens vertaald in de strijd der seksen. Dat verklaart waarom vooral de vrouw het zo zwaar te verduren had in de voorstellingen van de Duitse schildervorsten, van Stuck tot en met Klimt: de vrouw als muze en verleidster is de tegenspeelster van de machtige genieen. De seksen waren nog nooit zo ongelijk als tussen 1880 en 1910. Het contrast tussen stoerheid en verleiding bood nu eenmaal de mooiste stof voor visueel drama. En drama, daar waren ze dol op, de schilders van de late negentiende eeuw.