Neem Vermeers gezicht op Delft

Uit Kunstschrift "De Stad als Kunstwerk" nummer 6, 2013.
> Bestel nummer


Canaletto, Bellotto, Berckheyde, Stieglitz: steden bieden een prachtige grond voor kunstwerken.

Maar hoe is het, een stap verder: kunnen steden ook kunstwerken zijn? Daarover lopen de meningen uiteen. Steden zijn gebruiksdingen. De schoonheid van een stad is altijd een bijverschijnsel, een aspect van haar functie.

In zijn nog te verschijnen boek City as art stelt Wim Denslagen de volgende vraag: 'is er een verband tussen de ontkenning van stadslandschappen als kunstwerken en de verwaarlozing van mooie binnensteden?' Zijn antwoord is voor een deel bevestigend: het feit dat wij zo weinig weten over de reputatiegeschiedenis van steden heeft bijgedragen aan de soms verbluffend grove ingrepen in het gezicht van onze oude steden.

Hoe je standpunt ook is ten opzichte van deze vraag, iedereen zal erkennen dat de mooiste steden een persoonlijkheid hebben en een gezicht, zoals alleen grote kunstwerken en mensen die hebben. Zet een torenflat naast de Campanile in het centrum van Florence, en je krijgt een gezicht met twee neuzen: een authentieke, en een feestneus die er nooit in zal passen, hoe mooi ook.

De Italianen hebben misschien nog het best begrepen waar het om gaat, door hun gewoonte om mooie oude steden een bijnaam te geven: Florence la bellissima, Genua la Superba, en boven al Venetië, la Serenissima. Ook fictieve Italiaanse steden hebben altijd menselijke, vrouwelijke namen en epitheta gekregen: Sforzinda, de ideale stad van Ficino. Alle onzichtbare steden van Italo Calvino heten Dorotea, Zaira, Anastasia, Tamara. Een mooie stad is het kloppende hart van een land, de belichaming van een bepaald gevoel van identiteit. Damnatio memoriae gold in het Romeinse recht als een officiële straf: het wissen van de stad of het monument van de vijand uit de herinnering.

Het was de grote kunsthistoricus E.H.Gombrich die deze wet in herinnering bracht in zijn lezing getiteld The Conservation of our Cities: Ruskin's message for today. De hier bedoelde boodschap is een passage waarin de grote negentiende-eeuwse schrijver en kunstcriticus John Ruskin benadrukt dat wij helemaal het recht niet hebben om de gebouwen van het verleden te vernietigen, omdat ze ons niet toebehoren. 'They belong partly to those who built them, and partly to all the generations of mankind who are to follow us.'

Met andere woorden: wij zijn de behoeders en bewaarders van onze grote oude monumenten, steden en gebouwen. Het is onze taak om voor hen te zorgen, zo goed we kunnen. Ze zijn niet ons eigendom. We mogen ze niet veranderen of verbeteren, zoals je ook Vermeers gezicht op Delft niet gaat veranderen of verbeteren.

Maar de vraag blijft: wat maakt een stad zo mooi dat deze de status van monument verdient? En deze vraag is nog niet zo eenvoudig te beantwoorden.

De citta ideale van een kunstenaar uit de omgeving Piero della Francesco bij voorbeeld is een intrigerend schilderij, maar als stad ziet die er niet helemaal ideaal uit. Daarvoor is hij te netjes en te overzichtelijk, vergelijkbaar met sommige nieuwe woonwijken, steden uit oudere computerprogramma's of met splinternieuwe steden.

Een symmetrische stad zonder leven is leeg. Maar het andere uiterste, de cappriccio-stad van Piranesi, vol trappen die nergens toe leiden, is evenmin aantrekkelijk. Die stad doet een beetje denken aan het Londen van Dickens, een nachtmerrie eerder dan een droom.

Ruskin zelf heeft, met typisch negentiende-eeuwse zwier, in zijn vele geschriften waaronder The Stones of Venice een complete esthetica van de bouwkunst geformuleerd die in zijn geheel op elke stad kan worden losgelaten. Een stad moest harmonisch zijn maar wel gevarieerd, overzichtelijk maar niet te gaaf, versierd maar wel in een herkenbare stijl: de gotiek was voor hem het summum.

In dat laatste hoeven we hem niet te volgen maar veel van zijn andere voorschriften zijn goed van toepassing op de steden uit de canon van de westerse stadsgeschiedenis: Parijs, Venetië, Florence, New York. Steden als Brugge en Delft vormen een geval apart omdat die zo heftig zijn gerestaureerd naar een ideaal van vijftiende-respectievelijk zeventiende-eeuwsheid dat elke authenticiteit er uit is geweken. Venetië is binnen deze categorie een geval apart; hoewel vol authentieke gebouwen bezwijkt deze stad langzaam maar zeker onder de verpletterende druk van het wereldwijde toerisme. Een Engelse econoom zou hebben opgemerkt dat Venetië beter zou kunnen worden gerund door de Walt Disney Company dan door de Italiaanse overheid, die geen verweer heeft tegen de enorme drijvende hotels die dagelijks door de lagune toeren. Daarmee roept Venetië meer dan enige andere stad het schrikbeeld op van Calvino's stad Zora: 'verplicht onbeweeglijk en gelijk aan zichzelf te blijven om beter in de herinnering te kunnen achterblijven, kwijnde Zora weg, het ging tot ontbinding over en verdween. De Aarde is haar vergeten' .

Maar voor we een hautain waarde-oordeel loslaten op dergelijke plaatsen is het goed om op te merken dat bezoekers, wij allemaal, ons graag laten meevoeren op de illusie van historische waarachtigheid die dergelijke semi-fictieve steden bieden. Ze doen dienst op een manier waarop geen enkele oude stad met aangeplakte moderne gebouwen dat doet. Mensen zijn nu eenmaal wezens van verbeelding, en ook met een aangeboren behoefte aan consistentie. Wat dat betreft had Ruskin wel gelijk met zijn recept van harmonisch maar niet te gaaf en afwisseling binnen een herkenbare eenheid, voor de ideale stad.

En is niet elke stad van allure ook een onzichtbare stad- een fantasie die met de werkelijkheid maar een flauwe verwantschap onderhoudt? New York, New York!, zingen de liedjes, alsof ze een geliefde aanroepen in plaats van een metropool. Paris! Amsterdam! Plaats van dromen en herinneringen.

Hiermee stuiten we op een oude, keiharde discussie binnen de moderne geschiedenis van de bouwkunde: in hoeverre staat het ons vrij om te tornen aan het gezicht van een antieke stad? Ik denk: met mate. Het modernistische project heeft heel goed heeft gewerkt waar het zich tot haar eigen grondgebied bepaalde: in New York, in Chicago, en misschien ook (daar ben ik nooit geweest) verder weg, in steden als Singapore, Brasilia, Seoel. Afwisseling binnen een herkenbare eenheid.

De methode van de herkenbare eenheid is op kleinere schaal ter harte genomen genomen door de architecten van de stadsdelen die Bernard Hulsman in dit Kunstschrift betitelt als 'genetisch gemanipuleerd': het IJplein en het dorp Opbuuren: het verzamelen en opmeten van beproefde voorbeelden om met iets te komen dat zijn doel treft. Voor architecten is dit een opvallend bescheiden benadering van hun opdracht, en misschien ontbreekt hier al gauw iets van een trekpleister: een toren van Pisa, iets om een foto van te maken. Het wordt al gauw een beetje saai. Het andere uiterste is te vinden in metropolen in Azië en het midden oosten: enorm veel kapitaal waarmee de meest ambitieuze architecten worden aangetrokken om in korte tijd een droomstad te bouwen - met het gevaar van een stad met achttien neuzen die elkaar binnen een grid van enkele vierkante kilometers wegconcurreren. Of, nog spookachtiger: een replica van Parijs, zoals gebeurde in Tianducheng, gloednieuw en nauwelijks bewoond.

Zoiets kan niet, we komen er meteen instinctief tegen in opstand. Het is alsof je een mens kopieert.

Maar in het kielzog van die vaststelling doemt de belangrijke vraag op: is een hedendaags equivalent van Parijs of Venetië wel mogelijk? Kan een bouwmeester of een groep architecten van nu in één keer iets bouwen dat over honderd, tweehonderd jaar nog zal gelden als een van de grote stedelijke monumenten uit de geschiedenis? Of moet er per definitie een mate van tijd en geschiedenis door de straten en de gebouwen spoelen voor we bereid zijn om ze te erkennen als onderdeel van de canon van de onvergetelijke steden?