Toulouse Lautec: kermis in de hel


Dankzij Henri de Toulouse-Lautrec (1864-1901) is de "Moulin Rouge" waarschijnlijk het beroemdste etablissement ter wereld. Zijn tekeningen, litho's en schilderijen hebben het gemaakt tot een symbool van Franse frivoliteit, joie de vivre, cancan, quadrille, mysterieuze vrouwen als levende versiering van het belle epoque. Zo bekend zijn zijn affiches van Jane Avril, La Goulue en Yvette Guilbert dat ze een soort pikante gezelligheid met zich meebrengen die (hier spreekt de ervaring) goed paste in de tienerkamer uit de jaren zeventig, tussen Marlene Dietrich als Bleue Engel (ook benen) en Das Kabinett des Doktors Caligari (ook mysterieus). Meer meubilair dan kunst eigenlijk, net als Van Goghs zonnebloemen.

Des te verrassender en ook onthullend is het om zo'n meubelstuk weer eens opnieuw te bekijken. En zoals zelfs de Zonnebloemen van Van Gogh in het echt nog steeds hun doel treffen door de intensiteit waarmee ze zijn geschilderd, niet vloeiend maar juist met die bijzondere hoekigheid die Van Gogh kan hebben, zo treffen de Lautrecs- allemaal grafisch werk, van het kleinste schetsje tot en met complete litho's, - door de ongelooflijke begaafdheid van hun maker. Lautrec was een natuurtalent, daarbij van jongsaf geschoold in de ateliers van Salonleeuwen Bonnat en Cormon. En wat je ziet, uit de affiches maar ook uit zijn schetsjes, soms heel losse kleine karikaturen en impressies, gemaakt in de wandelgangen van de Moulin Rouge en de bordelen van Montmartre waar hij zich zo thuis voelde, is dat Lautrec kon tekenen wat hij wilde. Dat hij kon oproepen wat hij wilde. Zijn composities zijn zo knap en oorspronkelijk dat je vergeet dat ze door iemand zijn bedacht. Zijn contouren omsluiten vaak veel wit, er is weinig aan geprutst; elke lijn staat waar de maker hem hebben wilde. Het ging vanzelf, zo ziet het er uit.

Lautrec heeft het gezelschap waarin hij graag vertoefde niet mooier gemaakt - als je de gezichten op foto's ziet van de vrouwen die hij zo graag uitbeeldde, waren ze in werkelijkheid vaak aantrekkelijker, levendiger en vrolijker dan hij hen deed voorkomen. Het Montmartre van Lautrec is een eigen schepping, sierlijk en vilein, kermis in een bewoonbaar gemaakte hel. Want Lautrec heeft niet de personages geidealiseerd, maar wel, op zijn manier, de wereld waarin ze leefden. Dat wordt meteen zichtbaar wanneer je de foto's bekijkt die naast de tekeningen zijn afgebeeld. De werkelijkheid van Lautrecs Montmartre was een zootje - slonzig, lawaaiig, vol lelijk vertier. Er waren verschillende hallen waarin hoempamuziek werd gespeeld, drank verkocht en meisjes die voor tien cent per dag, op een rijtje alsmaar diezelfde bewegingen uitvoerden. Het was er vol, en er schijnt een ruimte te zijn geweest waarin, toppunt van vermaak, apen rondslingerden. Je zou het er geen vijf minuten uithouden.

Maar Henri de Toulouse, telg van een van de veertig families waar de koningen van Frankrijk uit zijn gekweekt, voelde zich er thuis. Hij was er veilig, hij kon er aan seks en vertier komen zonder dat zijn rare kleine postuur en dikke kop hem daarbij in de weg zaten, en hij vond er de goudmijn voor zijn verbeelding. Hij heeft Montmartre, de hoeren en de sterren niet geïdealiseerd en niet lelijker gemaakt, maar gedwongen in een eigen verhaal, vol mysterie, schoonheid, intimiteit, eenzaamheid, goedkope erotiek, en dan alles binnen de vloeiende lijnen van zijn visuele verbeelding.