Troje verbeeld

Uit Kunstschrift "Troje" nummer 6, 2012.
> Bestel nummer

'Goddelijke muze, zing van de wrok van de Pelide Achilles, de onzalige wrok die de Grieken eindeloos veel leed bracht.'

De Ilias van Homerus begint met de twist tussen Atreus' zoon Agamemnon en diens beste soldaat, Achilles. En hij eindigt met de begrafenis van Hektor en de weeklacht van Andromache, Hekabe en Helena: 'want niemand anders in het brede Troje is zacht of vriendelijk voor mij; allen verafschuwen mij'. Het tussenliggende verhaal bestrijkt eenenvijftig dagen van het tienjarige beleg van Troje.

Het verhaal van de verwoesting van Troje is een model voor de manier waarop de kunst zich verhoudt tot een ooit bestaande werkelijkheid. Algemeen wordt aangenomen dat de stad waar 1200 jaar voor Christus deze strijd woedde, werkelijk heeft bestaan, en wel aan de kust van Klein-Azië, het huidige Turkije. Die stad heeft zich telkens hernieuwd zoals steden doen, soms afgebrand, dan weer herrezen als een slang die zijn huid aflegt, tot er op de huidige plek waar Troje wordt verondersteld te hebben gelegen, negen denkbeeldige ringen lopen, die ieder een fase in het voor- en naleven van de oude Homerische stad vertegenwoordigen.

En zo zijn er eeuw na eeuw talloze Trojes ontstaan. Er is het Troje van Homerus, dat van Euripides, Ovidius, Vergilius, van de middeleeuwse romans en dat van de vele latere verhalen en operalibretti, waarin voortdurend personages en scenes worden uitgelicht en toegevoegd om het verhaal meer spanning en dramatiek te verlenen.

Geen wonder dat de zoektocht naar het ware, historische Troje zelf een geschiedenis is van doorgaande strijd. Volgens de laatste inzichten moet het Troje van Homerus gezocht worden in de zevende ring, als een typisch Anatolische vesting met een versterkte benedenstad. Maar al die Trojes bestaan vandaag uit niet veel meer dan wat opgestapelde grijze keien en rode bakstenen in een heuvelachtig landschap dat 's zomers heel lieflijk is en 's winters een vrij barre woestenij. Daar moeten we het mee doen, willen we ons een voorstelling te maken van hoe Andromache en Priamus ooit getuigen waren van Achilles die Hektor afslachtte en driemaal om de stadsmuren sleepte, as wraak om de dood van zijn eigen geliefde Patroclus.

Vaak is het de kunst die ons te hulp komt om de stenen weer te laten spreken.

Dat geldt ook voor de geschiedenis van Troje, maar anders dan je zou verwachten. Een bloemlezing uit de kunstwerken die het grote tragische verhaal van de slag om Troje weergeven biedt een levendig en kleurrijk maar ook weinig representatief beeld.

De oude verhalen bieden stof genoeg. Helemaal aan het begin is er de geschiedenis van Eris, niet uitgenodigd op de bruiloft van Peleus en Thetis, die de twistappel gooit te midden van de feestgangers. De Trojaanse prins Paris moet hem geven aan de mooiste onder de godinnen. Venus belooft Paris de mooiste onder de stervelingen tot vrouw wanneer hij haar verkiest. Paris bezwijkt voor deze belofte en valt voor prinses Helena, die helaas al getrouwd is met de Griekse koning Menelaos. Paris voert Helena mee op zijn schip. Daarmee was een strijd geboren die begon op de Olympus en eindigde in een hoop as aan de kust van de Egeische zee.

De bruiloft van Peleus en Thetis was in de zestiende en zeventiende eeuwse schilderkunst wel een gewild spektakel. Het gooien van de twistappel door Eris is te vinden op tenminste een schilderij, van Abraham Bloemaert [00]. En dan het oordeel van Paris; drie naakte godinnen op een rij. Daar heb je kunstenaars van oudsher wakker voor kunnen maken. Het grappige nevenverhaaltje uit de Metamorfosen van Ovidius, van Achilles die werd ontdekt door Odysseus nadat zijn moeder hem had verstopt tussen de dochters van Lycomenes, was in de zeventiende eeuw ook wel populair. Eveneens prominent is Laocoon. De priester die waarschuwde voor het Trojaanse paard waarna hij op last van de boze Athena werd gewurgd door twee slangen, behoort tot de canon uit de westerse kunstgeschiedenis sinds de befaamde beeldengroep werd opgegraven in Rome. Ook de verhalen van na de verwoesting van Troje hebben een rijke bron aan voorstellingen opgeleverd. Zo behoorde de vlucht van Aeneas uit het brandende Troje, met zijn vader Anchises en zijn zoontje Ascanius, tussen 1700 en 1800 tot graag afgebeelde scenes, door Barocci, Batoni en Bernini.

Opvallend aan al deze episodes die hun weg naar de kunstgeschiedenis hebben gevonden is dat ze geen van alle voorkomen in de Ilias. Voor dat verhaal moeten we terug naar de Griekse vaasschilderkunst. Alleen daar verschijnen de Homerische protagonisten in hun sleutelscenes, vaak met hun naam er bij: Achilles en Hector, Briseis, Andromache en Helena. Maar de latere kunstgeschiedenis heeft een merkwaardige reserve aan de dag gelegd voor scenes uit de Ilias. Er zijn de brandende Trojes, die kunstenaars de gelegenheid gaven om hun vermogen om drama en lichteffecten te demonstreren. En er is natuurlijk Troy, de film van Wolfgang Petersen met Brad Pitt als een pruilende Achilles (spreek uit Akillies) en Orlando Bloom in de rol van de mooie, hulpeloze Paris. Dit is een knappe film met aangrijpende momenten (zoals de scene waarin Achilles om Troje heenrijdt en zijn vijand Hector uitdaagt tot een tweegevecht) maar met de Ilias heeft ook deze film maar heel weinig gemeen. Patroclus wordt van geliefde veranderd in neef van Achilles, heel flauw en kenmerkend voor Hollywoodse preutsheid. Maar dat is niet de enige reden waarom de geschiedenis van Homerus, nog meer dan die van Vergilius, zich klaarblijkelijk zo moeilijk laat visualiseren.

Om dat te begrijpen loont het de moeite om de Ilias nog eens te lezen. Het eerste en eigenlijk ook het laatste dat je raakt bij het lezen van dit monotone, dreunende epos, is de ijzeren greep van het noodlot op alles en iedereen. Wie het leest ontmoet een aaneenschakeling van gruwelen, essenhouten lansen met bronzen punten die borsten, halzen en dijbenen doorboren, lijken die worden geroofd en verscheurd en waarmee wordt gesleept, ingewanden en donkerrood bloed waarmee de grofkluitige Trojaanse aarde wordt doordrenkt. Iedereen zit gevangen in de dynamiek van een strijd zonder doel of reden, afgezien van natuurlijk de geroofde vrouw van Menelaos, een Myceense prins die in het hele verhaal een bijrol vervult. De hoofdrollen zijn voor Achilles en Hektor, en die twee hebben helemaal niets maar dan ook niets met die aanleiding te maken. Ze moeten vechten omdat ze zijn meegesleurd in de golf van geweld die de appel van Eris heeft ontketend. De enige momenten van harmonie betreffen de liefde tussen Achilles en Patroclus, en die tussen Hektor, Andromache en hun zoontje Astyanax. Deze momenten van harmonie vormen dunne kieren van licht in een inktzwart canvas van zinloos geweld.

Daarover gaat de Ilias, en dat is wat zowel de vorm als de inhoud ons meedelen. Alleen Hektor voert een werkelijk nobele, begrijpelijke strijd: hij verdedigt zijn stad, zijn vrouw en zijn kind tegen de Griekse overmacht. En misschien is dat de reden waarom hij en het kleine dappere Troje zo'n rolmodel werd voor latere generaties.

Hiermee is het verhaal van de verwoesting van Troje niet alleen een voorbeeld van de dunne draad tussen fictie en werkelijkheid, maar een even sterke demonstratie van de manier waarop de zusterkunsten zich tot elkaar verhouden. Een noodlottige vloedgolf van geweld waaruit niemand ontsnapt kan het onderwerp zijn van een verhaal of een gedicht. Het kan ook de aanleiding zijn tot een muzikale compositie, hoewel het wapengekletter niet alles moet overstemmen. Maar schilderijen?

Wat hier zichtbaar wordt is dat de kunsten maar ten dele elkaars plaats kunnen innemen, laat staan dat ze elkaar kunnen vervangen. Mahlers zesde symfonie laat zich net zo min schilderen of beeldhouwen als Homerus grote klaagzang over de verwoesting van Troje. Muziek en literatuur zijn goed in het oproepen van een noodlottige dynamiek. Maar de schilderkunst gaat over andere dingen: over licht, en kleur, landschap en persoonlijk drama. Over momenten.

En zo komt het dat het grote boek van de Grieken nauwelijks in de kunst terecht is gekomen. Maar wat er is aan circumstantial evidence dat de klassieke verhalen niet aan de kunst voorbij zijn gegaan wekt een buitengewone ontroering door de beperkingen: de tijdgebondenheid van al die pogingen om van deze geschiedenis iets visueels te bakken. De schaarse portretten van Helena demonstreren stuk voor stuk hoezeer schoonheid aan de banden ligt van een tijdgebonden ideaal. Zo ook de brandende Trojes en de Achillesen. Ze zijn ieder op hun manier prachtig, ze spreken sterk tot de verbeelding en met Homerus hebben ze weinig of niets te maken.