Aan het poppenhuis ontgroeid; de nieuwe realiteit van Van Eyck

Uit Kunstschrift "Wegen naar de grote Eyck" nummer 5, 2012.
> Bestel nummer


Stel u voor: een bos vol kleine en grote bomen. Daar tussendoor is veel gekapt en beschadigd. Sommige bomen hebben namen maar de meeste niet. In dat bos lopen onderzoekers te speuren naar wortels en paden en sporen van eikenloof. Af en toe richten ze hun blik omhoog, naar de grote solitaire eik die daar staat. Dan schudden ze hun hoofd.


'Hoe zit het met de rol van Jan van Eyck in de Nederlandse kunstgeschiedenis? Is hij werkelijk de ufo waar hij vaak voor wordt gehouden of is hij toch binnen zijn tijd te verankeren? Deze vraag is het leidende idee achter de tentoonstelling en deze catalogus.'

Dit schrijven Stephan Kemperdick en Friso Lammertse, de bedenkers en makers van de tentoonstelling De weg naar Van Eyck (2012-2013) in het museum Boijmans van Beuningen.

Een dergelijke vraag luidt normaal gesproken het streven in om het gangbare beeld bij te stellen. Zo werkt dat zodra onderzoekers een vraag stellen waar 'is het werkelijk' in voorkomt. Het te verwachten antwoord is dan: nee. Van Eyck was niet de ufo waar hij altijd voor is gehouden. Hij is geworteld in zijn tijd. Die wortels zijn voor de geinformeerde waarnemer goed zichtbaar, en wij gaan ze u laten zien.

Die belofte wordt, ten dele, ingelost. "De weg naar Van Eyck is in feite een kronkelpaadje vol kuilen", schrijven de makers van de Rotterdamse tentoonstelling, eerlijk, na een hoeveelheid overwegingen waarin de ongrijpbaarheid van de grote Eyck steeds voelbaarder wordt. Zo maakte hij, in tegenstelling tot zijn tijdgenoten, praktisch geen gebruik van patroonboeken. Een enkele keer vind je bij hem een motief dat ook elders is toegepast, en meestal heeft het zo'n metamorfose ondergaan dat je echt moet opletten om het verband te zien. Eigenlijk is zelfs een kronkelpad niet helemaal een toepasselijk beeld voor de geboortegrond van het Lam Gods. Afgaand op de werken die ons nog resten van de middeleeuwse kunst kronkelt er niet één maar een web van haardunne slingerpaadjes omhoog door het bos van de Europese kunst tussen 1415 en 1430.

Ook vóór Van Eyck, (of beter gezegd het atelier Van Eyck want alles wijst op een familiebedrijf) waren er kunstenaars die verbluffend mooie dingen maakten, en daarbij niet alleen putten uit de traditie, maar ook bij de werkelijkheid te rade gingen. De beweging van de moderne devotie: het streven naar medeleven met de hoofdpersonages uit de heilige schrift, moet een geweldige prikkel hebben gevormd voor de zoektocht naar realisme in de kunst. En de grondtrekken hiervan: de kleine verhalen, de bloempjes en die hele zachtaardige, bewoonbare wereld die de middeleeuwse kunst voor ons nog steeds zo aantrekkelijk maakt, die was er al in de kunst vóór Van Eyck: bij de meester van het Paradijstuintje, bij de gebroeders van Limburg en hun oom Johan Maelwael.

Lieflijkheid en medeleven. Van Eyck en zijn mede-grootheden uit de jaren twintig van de vijftiende eeuw voegden aan dat grondrecept de elementen licht, schaduw en diepte toe. Van een poppenhuiswereld maakten zijn een virtuele, een net-echte, waar je eventueel in zou kunnen stappen. En daarmee vormde het oeuvre van Van Eyck, in artistieke zin, toch een waterscheiding tussen wat er vóor en wat er na kwam. Er is bij mijn weten geen andere kunstenaar waar dat zo sterk voor geldt. Leonardo, Rafael en Michelangelo hebben ook een geweldig effect gehad op de kunst die na hen kwam maar ik geloof niet dat dat effect zo overtuigend en totaal is geweest als het was bij Van Eyck. Buiten Italië is elke grote kunstenaar tussen 1430 en 1500, van Petrus Christus, Hugo van der Goes en de lieflijke Memling tot en met Jean Huy alias de Maitre de Moulin, aangeraakt door de bekoring. Het beeld dat ik gebruik aan het begin van dit stuk, van het bos en de solitaire eik, zou moeten worden uitgebreid. Stel u voor: een bos vol grote en kleine bomen, sommige hebben namen maar de meeste niet. Boven dat bos uit torent een grote solitaire eik. En áchter die eik strekt zich opnieuw een enorm bos uit, vol grote en kleine eiken.

Het zou nog bijna een eeuw duren voor het landschap opnieuw veranderde.