Je bent wat je ziet
Margriet Luyten, Stervelingen/Mortals , mevrouw Galama, hotelmanager. links 26 jaar, rechts 96
1 Het Raadsel van de verstreken tijd
Als tiener van een jaar of vijftien begon ik kranten te lezen. Dit waren de jaren zeventig van de vorige eeuw, mijn ouders hadden een abonnement op Vrij Nederland, ik las de interviews met succesvolle mensen die vertelden over levens vol lief en leed, opvattingen, teleurstellingen en triomfen. En ik herinner me nog dat ik me afvroeg hoe het mogelijk was dat een persoon zoveel te zeggen had. Hele krantenpagina’s vol! Die mensen hadden een verhaal. Een geschiedenis, helemaal van henzelf. Voor het eerst besefte ik hoe onbeschreven mijn eigen blad was. Ik keek naar de portretten bij de interviews, grofkorrelig en zwartwit volgens de mode van die tijd, en zag gezichten die getekend waren door jaren ervaring. Soms kreeg je er een interieur bij, met boekenkasten die vertellen van een lang leven vol interesses. Mijn eigen boekenkast was nog klein, en niet heel interessant. Dat wist ik. En kijkend in de badkamerspiegel kon ik me geen voorstelling maken van de toekomstige, oude versie van mijn eigen gezicht.
Ouderdom, zelfs betrekkelijke, was in die tijd een ander land voor me, hoewel ik wist dat ook mijn trein daar op een dag in de verre toekomst zou stoppen. ‘je eigen oud worden, daar hou je geen rekening mee als je jong bent’, verzucht Ata Kando in de film Levenswerk I van Margriet Luyten.
Dat is waar, en niet waar. Mensen, ook als ze jong zijn, weten echt wel dat ze op een dag oud zullen zijn. Ze weten ook dat er dingen wezenlijk veranderen. Hun gezichten zullen rimpels krijgen, hun kasten zich vullen met geschiedenis en hun hoofden met herinneringen, ervaringen, kennis en ook teleurstellingen, verdriet. En onder dat alles, onvermijdelijk, groeit een bedding van weemoed over dingen die er ooit waren en nu niet meer.
Maar hoe zich dat allemaal voltrekt is een groot raadsel.
Dat raadsel is een last die jonge mensen met zich meedragen. Het is een bron van nieuwsgierigheid en vreugdevolle verwachting, maar ook van onzekerheid en vrees. Het is een last en een lust waar oudere mensen van verlost zijn. Die bevrijding brengt een bepaalde kalmte met zich mee, tegelijk met die weemoed, die deel uitmaakt van het geheim waar ikzelf als jong mens nog niet bij kon.
Dit zijn de twee perspectieven die het leven te bieden heeft. Het jonge dat nog leeg is maar gevuld met verwachting en vrees, en het oude leven, dat overvol is, en waarin verwachting is herleid tot de vraag: hoe zal ik worden herinnerd? En de variant: hoe zal mijn erfenis worden beheerd?
Inmiddels ben ik zelf al een flink eind voorbij het kantelpunt van vooruitblik en terugblik. Maar zoekend naar het gebied daartussenin, de weg van die eerste toestand naar de tweede, vind ik eigenlijk –niets. Er is een snoer van gebeurtenissen, markeringen, hoogte-en dieptepunten maar de verandering van jong naar oud ontbreekt. Die heb ik niet bewust genoeg meegemaakt om hem achteraf adequaat te kunnen beschrijven. Herinneringen genoeg, maar toch is het of ik tijdens de reis heb zitten slapen.
Misschien is dit een persoonlijk gebrek maar ik vermoed dat dit voor bijna iedereen geldt. Life happens while you’re making other plans waarschuwt John Lennon zijn toenmalige zoontje van zes.
En zo is het. Op een dag ontmoet je een oudere, gepreoccupeerde vrouw of man in de spiegelruit van een winkel op straat, een vreemde. En een seconde later besef je: dat ben ik.
Niemand weet echt hoe het is om van jong door die onzichtbare muur te stappen in het rijk van oud, ook al doen we het allemaal. Je kunt net zo goed aan een hond vragen hoe het is om hond te zijn. De tijd beweegt zich buiten ons zoals het landschap achter de ramen van een rijdende trein. Feitelijk hebben we er niet zo veel mee te maken. En zo blijft het leven in de kern een raadsel, ook voor ons die het ondergaan.
Het kleine scènetje dat ik beschreef, van de gepreoccupeerde oudere vrouw die zichzelf tegenkomt als een vreemde in een winkelruit, heb ik uit een verhaal van de grote Canadese schrijfster Alice Munro. In veel literatuur speelt deze problematiek, van de tijd die er stilletjes met ons vandoor gaat, een centrale rol. Mensen komen terug op de plaats waar ze zijn opgegroeid en alles blijkt onherroepelijk veranderd, totdat een kleine gebeurtenis – een klemmende kastdeur, een kraakje in de derde tree- hen in de afgrond van verstreken jaren stort. Het verleden is een ander land, tot er een traptree begin te kraken. Elke schrijver die op zoek gaat naar de verloren tijd weet dat hij of zij zich zonder voorbehoud moet uitleveren aan het koninkrijk van de allerbanaalste details. Odysseus komt thuis na twintig jaar omzwervingen en wordt herkend door zijn oude voedster Eurykleia, aan een litteken op zijn been. Marcel eet een madeleine gedoopt in bloesemthee, en hij is terug in Combray bij tante Léonie.
Een barst in de muur, de smaak van een koekje. Je zoekt en zoekt, opent deuren, loopt over oude lanen en dan, net als je wilt neerploffen in de schaduw van een boom, valt je oog op het zonlicht dat vlekjes maakt als centen op het gras, en je geheugen begint te spreken. De Russische literatuur is uitzonderlijk rijk aan geheugenkunstenaars van dit kaliber, zoals Paustovski en Pasternak, en ik geloof dat dat iets te maken heeft met de uitgestrektheid van dat land. In al hun boeken komen treinreizen voor, waarin de tijd voelbaar wordt in de oneindigheid van het land; wersten veranderen in minuten en voor je het weet ben je tien, twintig, dertig jaar ouder.
Zelfs in de popmuziek tikt het drama van de verstrijkende tijd in de achtergrond mee. How did I get here?, zingt de achtentwintigjarige David Byrne, op het toppunt van zijn roem. Shadows are falling, and I’ve been here all day, It’s too hot to sleep and time is running away, zingt de dan zestigjarige, levende legende Bob Dylan. Op welk punt in je leven je je ook bevindt, en hoe hoog op de Olympus, tegen de tijd valt niet te vechten, die loopt en loopt. Je kunt er wel prachtige kunst mee maken. Zelfs, kun je zeggen, bestaat de kunst bij de gratie van dit feit. Dat we er te weinig van hebben én te veel. Dat minuten zich kunnen uitrekken als Russische wersten, of dat we volle agenda’s hebben en ondertussen, ongemerkt, almaar ouder zijn geworden.
Alleen in de beeldende kunst is dit thema vrij zeldzaam. Hier geldt eerder het tegendeel: negen van de tien geweldige kunstwerken zetten de tijd juist stil. Mensen geportretteerd in de bloei van hun leven, voor eeuwig jong. Stillevens van vruchten, broden en kazen die na vierhonderd jaar nog even fris en aanlokkelijk zijn als toen ze nog op de ezel stonden. Rembrandt of Rothko, je kijkt ernaar en alles valt stil. De meeste kunst werkt niet mét maar tegen de tijd. Dat is een hele troostende factor aan veel beeldende kunst.
De oorzaak is begrijpelijk: een portret of stilleven kun je maken van verf en doek, of steen, of pixels, maar om de werking van de tijd te vertolken heb je een medium nodig dat die tijd ook zélf gebruikt. Er zijn wel intrigerende voorbeelden in de kunstgeschiedenis waarbij het verloop van de tijd, soms bij toeval, zichtbaar is. Een sterk staaltje is de geschiedenis van Giuliano della Rovere, beter bekend als Julius II, alias Il Terribile, de zestiende-eeuwse kunstpaus die opdracht gaf tot grote werken van de renaissance. Hij is in alle mogelijke leeftijdsfasen geschilderd door de meesters van zijn tijd. Maar al die schilderijen staan stil. Ze tonen een moment bevroren in de tijd, maar niet het proces zelf.
Daarvoor moet je naar de film. Julius komt ook wel voor in films, als een bekakt Engels sprekende paus-generaal die met Michelangelo onderhandelt over de Sixtijnse kapel terwijl de kogels om hun beider oren fluiten (‘Kijk your highness, daar doe ik de sibyllen en daar de ancestors of Christ….’) maar ouder worden doet de stoere soldatenpaus ook hier niet.
Om dat proces tot hoofdzaak te maken is een heel nadrukkelijke wil, een bepaald soort discipline nodig. Een focus, precies op het onderwerp van de veroudering zelf; dat waar veel traditionele kunst nu juist tegen strijdt. Kennelijk druist het tegen onze natuur in, om onze blik echt scherp te stellen op dat onderwerp van de verstrijkende tijd. Er is iets voor nodig om je daarvoor wakker te maken, een schok, een verandering van perspectief, waardoor je ineens de klok hoort tikken in de kamer waarin je zit te werken.
Zo’n twintig jaar geleden zag ik in de Tate Gallery een stilleven van de kunstenaar en filmregisseuse Sam Taylor-Wood. Het leek een ingelijste foto van een schaal met fruit, of zelfs een schilderij waarvan er meer hingen in het zaaltje. Maar in de voorstelling zat een wonderlijke, minieme beweging, een soort trilling die maakte dat je stilhield, gebiologeerd starend naar het tafereel dat zich na verloop van tijd openbaarde als de versnelde inwerking van de tijd op de vruchten. Achter de lijst zat een projector die de loop van een timelapse film afdraaide, waarin het rottingsproces van de vruchten was vastgelegd. In minder dan vijf minuten groeide er een laagje dons op de eerst nog blozende vruchten, die daarna snel veranderden in iets wat leek op een landschap, een onherbergzame grijswitte massa waar vliegen snelle sporen doorheentrokken.
Vandaag zijn zulke filmpjes vrij gewoon, op Youtube vind je er honderden van maar toen was het nog nieuw. Voor mij was het de eerste directe confrontatie met het uitwendige perspectief op veroudering, des te aangrijpender omdat deze bewegende stillevens nou precies het tegendeel deden van wat je van hen verwachtte. Ik merkte dat andere bezoekers mijn reactie deelden, een soort kleine ontzetting. Alsof deze filmpjes, slim opgehangen tussen andere, eeuwig jonge kunstwerken, een geheim openbaarden dat verborgen zou moeten blijven. Alsof we keken in een spiegel naar de werking van de tijd op onze eigen gezichten.
Wie zoekt vindt wel meer varianten op dit thema; soms een beetje melig, zoals de Tulp die zijn blaadje verliest van Wim van der Linden, Wim T.Schippers en Willem de Ridder uit 1965. Op zoek naar het echte werk kom je al gauw uit bij Bill Viola, een van de meest diepgravende meesters van de nieuwe media. Zo zat ik, ook alweer lang geleden, in Londen op een ongemakkelijk houten bankje te kijken naar een werk uit 1986 met de titel: ‘I don’t know what it is I am like’. Het was de tijd van de videoperformances waarbij de kijker werd uitgenodigd om soms urenlang mee te gaan in het discours van de kunstenaar. Meestal heb ik daar beperkt geduld voor, maar deze hield me vast. Let wel: een film van anderhalf uur waarin de kunstenaar ons deelgenoot maakt van - het verloop van de tijd in al het leven. Viola zelf noemde het ‘een persoonlijk onderzoek naar de innerlijke toestanden en verbindingen aan het dierlijke leven die wij allemaal in ons dragen’ (‘a personal investigation of the inner states and connections to animal consciousness we all carry within’).
Bill Viola, publiciteitsbeeld van de film I don’t know what it is I am like, 1989
Het verloop van de film is traag, de ongemakkelijke stroperigheid die de tijd onmiddellijk aanneemt zodra hij niet wordt gestuurd door een doel of een plot. Minutenlang worden we ondergedompeld in de dagelijkse business van de natuur. Een grazende oeros, een koekeloerende uil, een vogel die uit een ei komt, vliegen bezig met een dode stier, een slak die zich uit zijn huis wurmt. En mensen. Middenin de film zit een man in een kamer te lezen in een oud boek met gravures van het brein. We zien hoe de man video-opnamen bekijkt van dieren en mensen, bezig met een ritueel. Al kijkend worden wij één met de man in de film, die eenwordt met de dieren en mensen die hij bestudeert.
Voor Viola is het bewegende beeld het middel om de verborgen essentie van het leven te vangen. Camera’s zijn keepers of the soul, zegt hij in een interview, waarin hij vertelt over het sterven van zijn moeder. Naar aanleiding daarvan maakte hij ook zijn ‘Nantes triptiek’ uit 1992, met links een geboorte, rechts een stervende vrouw (zijn moeder) en in het midden een man die zweeft in een leegte.
Bill Viola, Nantes Tryptich 1992
Dat is een intens werk, maar bij mij is die eindeloze, trage film uit 1986 meer blijven haken, omdat die, in dat rare, langzame verloop iets laat zien dat ons in het echte leven wordt onthouden. Het is geen hardhandige ruk aan de sluiers van de tijd, maar een langzame revelatie, in een wereld waarin er alleen maar op los wordt geleefd. Kijk, zo werkt het. Dit is de manier waarop het voortsluipt, dat rare element waarin wij bestaan, als de rivier der vergetelheid die stroomt en stroomt, geluidloos, geur- en smaakloos, een fluidum waarin we eerst jong zijn en daarna oud. Waarin we eerst vooruitkijken, en daarna terug.
Heel anders maar met hetzelfde thema – het onzichtbare element van de tijd– is de film die de Nederlandse kunstenaar Margriet Luyten maakte, getiteld Levenswerk II. De film begint begint met het beeld van een werkkamer. Het is een prachtig beeld, van een kast vol boeken en mappen, een bureau vol pennen en papier. De kamer is ordelijk op een persoonlijke manier. Niemand kent hier de weg behalve de bewoner, in dit geval Lily van Ginneken. Die weet hier alles blindelings te vinden, en achter elke ansichtkaart, elke map zit een verhaal.
Deze werkkamer plaatst ons zonder verder omhaal middenin de kern van de zaak. Hier heeft een lang, goed gevuld werkzaam leven zich gevestigd. Dit is de oogst: zo’n prachtige kamer waar jonge mensen alleen van kunnen dromen. En over het beeld van die kamer verschijnen dan, kalmpjes, de namen van de hoofdpersonen wier perspectief de kunstenaar heeft geleend voor haar onderzoek naar de tijd: Henk van Os, Liesbeth Brandt Corstius Flor Bex, Anny de Decker, Deborah Wolf, Wim van Krimpen, Lily van Ginneken en Rudy Fuchs. Kunstbemiddelaars allemaal, zoals de hoofdpersonen van een eerder project van haar allemaal kunstenaars waren. Beide films gaan over mensen die werk van hun leven hebben gemaakt, die iets tot stand hebben gebracht en daar nu op reflecteren. Allemaal zijn het persoonlijkheden die vanuit de tweede helft terugkijken op een rijk leven. De manier waarop ze dat doen verschilt: humor, melancholie, twijfel, vreugde en relativering maken een groter of kleiner deel uit van hun perspectief, en bij allemaal is er weemoed. En wij leven mee, al zijn onze levens niet per se zo glansrijk en succesvol en avontuurlijk als het hunne; zelfs als we nog wat jonger zijn en minder uitgedaagd om op deze manier in de spiegel van de tijd te kijken. Je doet het toch, gebiologeerd blijf je kijken, wetend dat op een dag ook jouw trein, precies op tijd dames en heren, dat station bereikt.
Kunstbemiddelaars zijn welbespraakte mensen, geoefend in het beschouwen. Die reflectie, dat terugkijken en mijmeren over wat er was en wat overblijft, is interessant, het maakt de film ook boeiend, maar waar deze films, net als die van Viola werkelijk over gaan is dat wat zich ónder de verhalen afspeelt: het werk dat het leven doet terwijl wij bezig zijn met plannen maken.
Margriet Luyten hoort bij de kleine groep kunstenaars die de afdaling in de werking van de tijd tot hun onderwerp hebben gemaakt. Waarom zij dat doen is niet per se van belang, al is het vaak een schok, bij Luyten de dood van haar geliefde moeder, die maakt dat de klok hoorbaar is gaan tikken. Dat moment komt iedereen vroeg of laat tegen maar het vergt een bijzondere moed en concentratie om daar in je kunst een hoofdzaak van te maken, vanuit het inzicht: dit is waar het om gaat. Omdat dit element, dat eigenlijk niet te zien en niet te vangen is, een kern bevat, misschien wel dé kern, die ons lot bepaalt.
Omdat we er liever niet aan denken. En dat is waar de kunst zich schuilhoudt.