Goya’s kunst

hospitaal van de pestlijders, 1808-1810

zwartgallig, eigenzinnig en intens persoonlijk

 

Het moment waarop de Spaanse koninklijke familie kennismaakte met het werk van Goya is gevangen in een opgetogen brief die hij schreef aan zijn jeugdvriend Martín Zapater. Het waren vrolijke ontwerpen voor tapijten in de koninklijke slaapkamer. ‘Ik had er niet meer van kunnen hopen’, schrijft hij, ‘afgaand op het plezier dat ze toonden.’

Blijkbaar zagen Carlos III en zijn familie meteen met wat voor een talent ze te maken hadden. Dat is mooi van ze, want wat Goya toen al onderscheidde was het beetje rare, troebele dat hij toevoegde aan de staande receptuur.

Daarvan kun je je nog voorstellen dat de koninklijke familie het wel interessant vond. Maar datzelfde excentrieke perspectief liet hij los op zijn staatsieportretten, en dan raakte het hen direct. En kennelijk aanvaardden ze dat ook. Het grote portret dat hij in 1787 maakte van Carlos III in jachtkostuum zweeft op de rand van een karikatuur, afgezien van de intelligente blik en de flits van humor waarmee de soeverein onze verbazing pareert.

Carlos III in jachtkostuum (detail) c 1786

Die blik is essentieel. Goya’s grote voorganger Velázquez had ook recht gedaan aan de doorluchtige lelijkheid van zijn opdrachtgevers, maar zijn infantes en meniñas bewonen een andere sfeer, waar het bloed echt blauw is en de gezichten uitgestreken. Goya’s machthebbers in hun dure kleren zijn individuen met strikt persoonlijke eigenaardigheden. Ze kijken ons aan, vriendelijk, goedmoedig, ironisch, nadenkend of wantrouwend. Hun uitdrukking is in 2021 nog steeds leesbaar. Lopend door de fenomenale tentoonstelling die de Fondation Beyeler in Bazel van hem heeft samengesteld, heb je in de portretten voortdurend de illusie van een kennismaking. Ik ken geen andere vertolker van de Europese vorstenhuizen waarbij dat zo sterk voelbaar is.

Fondation Beyeler behoort tot de instellingen zoals Voorlinden in Wassenaar en Vuitton in Parijs, die zijn opgericht door vermogende particulieren. Zoals alle musea van dit type is het van een intimiderende perfectie, elk kunstwerk kent zijn plaats en de ramen kijken uit over een smetteloos park. Het is ook, net als die zusterinstellingen, een museum voor moderne kunst. En zo wordt Goya hier ook gepresenteerd als een grondlegger, een oude meester waar niemand omheen kan die zich een beeld wil vormen van de grondslagen van de moderne kunst.

 Dat lijkt vreemd wanneer je je verdiept in het leven van deze kunstenaar die zich zo dienstbaar opstelde aan de macht, tot en met de tiran Ferdinand VII die hijzelf uiteindelijk ontvluchtte. Een van die late staatsieportretten hangt ook in Bazel, een fascinerend product van een vermoedelijk bijziende kunstenaar met een onveranderd scherp inzicht in de taal van het gezicht.

Uit brieven en bronnen komt Goya tevoorschijn als een sociaal vaardige overlever, maar onder het oppervlak leefde een andere stemming. En die schaduwkant, ingebed in massa’s satijn en fluweel, vormt het verbindende element in zijn oeuvre. Soms impliciet: over veel van de gestalten waar Goya ons aan voorstelt , ligt een schaduw van melancholie. Vaak verontrustend, zoals in de schimmen die Goya te pas en te onpas in de marges schilderde.

Het meest ongemengd komt de donkere kant van Goya’s artistieke persoonlijkheid te voorschijn in zelden vertoonde reeksen schilderijen op klein formaat, van rovers, gestoorde geestelijken en kannibalen, of de serie heksenvoorstellingen die hij maakte voor de Markiezin de Osuña. Op de wandtekst worden die voorstellingen omschreven als een aanklacht, maar dat is niet helemaal vol te houden. Goya’s persoonlijke standpunt over barbarij en bijgeloof is helder, maar bij het bekijken van die voorstellingen van heksen en kannibalen raak je toch in verwarring, door de verdieping en intensiteit waarmee ons dit soort taferelen worden voorgetoverd.

Heksensabbath (1798)

In Goya’s correspondentie steekt onder alle geestigheid en intelligentie af en toe ook een neurotische zwartgalligheid de kop op, die een dankbaar spiegelbeeld vond in de wereld waarin hij leefde. Spanje rond 1800 was verwoest door oorlogen en verstoken van rechtspraak; honger, misbruik en ziektes hielden er huis. Dit was de grondstof waar Goya’s fantasie zich mee voedde – en waar zijn rijke vrienden veel geld voor betaalden. Deels aanklacht, maar vooral het vrije speelveld van een kunstenaar die alleen zichzelf als maatstaf hanteert.

Het was een recht dat hij expliciet opeiste, en hierin openbaart hij zich zonder enige twijfel als een kunstenaar met een modern bewustzijn. In 1792 schreef Goya een beroemd geworden brief in de Koninklijke Academie, met een oproep om artistieke onafhankelijkheid te stellen boven het curriculum van natekenen en geometrie. Kernzin: ‘er zijn geen regels in de kunst’. Goya was toen zesenveertig, en Eerste Schilder van de Koning. Korte tijd later werd hij ernstig ziek, en doof. Weer een jaar later begon hij aan die wonderbaarlijke kabinetstukken van alle denkbare gruwel, en de prentenreeksen vol sociaal onrecht en geweld. 

Directe waarneming, interpretatie, fantasie, spiegels op de werkelijkheid, bij Goya is het niet te ontwarren. Het meest voelbaar is die onvoorwaardelijke eigenzinnigheid in het portret van zijn doodzieke zelf en zijn arts Dokter Arriëta uit 1820, dat je normaal moet gaan bekijken in Minnesota. Dat portret alleen al maakt een tripje naar Bazel de moeite waard. Wat de tentoonstelling knap zichtbaar maakt is hoezeer de picknicks en jaarmarkten voor de koninklijke slaapkamers, portretten, duistere fantasie en scènes van oorlog en ellende elkaar ontmoeten en ondersteunen in het weefsel waaruit dit intens persoonlijke oeuvre is ontstaan.

M.H.

zelfportret met Dokter Arrieta (1820)

 

 

 

 

Previous
Previous

Het eenzame meesterwerk

Next
Next

Jeff Wall