wandelkunst

Auguste Renoir, Louveciennes ca. 1870


In 1776 begon Jean-Jacques Rousseau aan zijn Rêveries du promeneur solitaire, ‘Overpeinzingen van de eenzame wandelaar’. Het was het onvoltooide sluitstuk van een breed meanderend oeuvre, waaronder acht opera’s, een boek over plantkunde, eentje over pedagogie, en het nog steeds beroemde Du contrat social, ‘Het maatschappelijk verdrag’, dat geldt als de basis van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Dat oeuvre was een reflectie van Rousseaus bewogen leven vol zijpaden en dwaalwegen, een demonstratie van de geest die waait waarheen hij wil. Rousseaus Rêveries beperkten zich in de praktijk tot een- zame wandelingen op een landgoed bij het dorp Ermenonville, noordoostelijk van Parijs.

Het afgelopen jaar zijn we allemaal solitaire wandelaars geworden. Die wandelingen vormen het zilveren randje om de wolk die nu al een jaar lang boven ons hoofd hangt. Het coronavirus heeft ons veel narigheid bezorgd, maar het heeft ons ook teruggebracht tot een soort gedrag dat diep in onze mentale bedrading is ingebed. Rousseau schreef het al: wandelend wordt de geest hersteld en geactiveerd. Het is middel en doel tegelijk, net als het leven zelf. En net als de kunst, die dan ook een rijke oogst aan wandelwerk heeft opgeleverd, vol verwijzingen naar het pad des levens. Lees de boodschap waar het oeuvre van de conceptuele kunstenaar Richard Long mee begint: ‘Mijn eerste wandelwerk, in 1967, was een rechte lijn in een grasveld, wat ook mijn eigen levenspad was, “nergens” naartoe.’ Wandelen=leven=kunst.

Die eerste levenskunstwandeling van Long is bewaard gebleven in een verslag dat even ingetogen van vorm is als veelomvattend van inhoud, en ook op een interessante, strenge manier poëtisch. Daarmee is het een typisch twintigste- eeuwse representant van een soort wandelkunst die over een lange slingerlijn terugvoert tot 1336, met de beklimming van de Mont Ventoux door de Italiaanse schrijver Petrarca. Net als Rousseau drukte Petrarca zijn overpeinzingen uit in briefvorm, waarin hij vertelde hoe hij de berg besteeg, louter uit het verlangen om de hoogte van de top te ervaren. Zoals de oude Grieken al deden, meende hij. En dat was vast waar.

‘Über allen Gipfeln ist Ruh’... Die Vögelein schweigen im Walde.’, schreef Goethe in 1780, in zijn gedicht Wandrer’s Nachtlied: een twee- gesprek in dichtvorm tussen een zwervende dichter en een vrouw die woont in een antieke ruïne bij Napels.

Het wandelen als levenskunstwerk is niet uitgevonden door de Sturm und Drangbeweging maar het vond daar wel zijn meest expliciete en lyrische vorm. Lofzangen op de verte – in de literatuur zijn ze inmiddels grotendeels begraven in meerdelige verzamelde werken, maar in de muziek vind je nog steeds uitbundige variaties op Fernweh en Sehnsucht, bij Schubert en Mendelssohn, en ook de Amerikaanse popmuziek zit er vol mee. In de kunstgeschiedenis ontmoeten we de eenzame wandelkunstenaar vaak in eigen persoon, uit- rustend op een steen. Het artistieke doel is ook hier altijd de vrijheid, maar in de praktijk bleek dat vrije uitzicht zich te hechten aan bepaalde, specifieke plekken.

Johann Heinrich Wilhelm Tischbein, Goethe in de Campagna, 1787

Voor Goethe was het de Golf van Napels, waar de schilder Johann Heinrich Wilhelm Tischbein hem vereeuwigde, en waar de kunstenaar Franz Ludwig Catel een paar van zijn meest lyrische landschappen schilderde, maar het meest geschilderde en bezongen landschap van Europa is dat van de Romeinse Campagna. Vertaald in verf en fantasie door de Franse zeventiende-eeuwers Poussin en Claude Lorrain [3] werd de Campagna synoniem met het summum van pittoreske schoonheid, ongehinderd, zo vertelt Richard Wrigley in zijn essay ‘The Roman Campagna Revisited’ (Tate Papers 17, 2012) door het feit dat het gebied rondom Rome toen al berucht was als een vlakte waar niets bloeide behalve muggen en malaria. Kunst is alles, maar zelden waarheidsgetrouw. Ook navolgende kunstenaars hebben die ommelanden enthousiast geïdealiseerd, waarbij de kale uitgestrektheid tegen de klippen op werd bezongen als ‘a pleasing form of stripped-down picturesqueness’; ‘unwholesome, and yet beautiful’, zoals de Schotse schilder David Wilkie het noemde.

En zo groeide, in de geest van Poussin en Lorrain, uit de Campagna een verfijnde artistieke keuken van laag strijklicht over groene heuvels, bestrooid met bomen en een ruïne hier en daar. En grappig: dankzij deze keuken in de kunst werd de Campagna ook in de werkelijkheid een bedevaartsoord voor wandelaars met literaire bagage. Als deze wandelaars met hun neus stuitten op de beruchte slechte lucht die heerste in de Romeinse woestenij, dan hielden ze dat voor zich. Nog ruim twee eeuwen na de pastorale lofzangen van Claude Lorrain schreef de filosoof Wilhelm von Humboldt aan zijn vriend Goethe over de onvergelijkelijke schoonheid van de Romeinse ommelanden.

Carl Spitzweg Engelse toeristen in de Campagna, ca. 1835 • olieverf op papier, geplakt op karton, 40 x 50 cm • Staatliche Museen zu Berlin, Alte National- galerie, Berlijn. Kunstliefhebbers, met reisgidsen onder hun arm, worden rondgeleid bij de ruïnes van de Campagna

Wat de trip naar de Campagna in de praktijk betekende laat de Duitser Carl Spitzweg zien in zijn geestige Engelse toeristen in de Campagna (ca. 1835) [5]. Spitzweg wordt vandaag niet meer zo hoog aangeslagen, maar hij verdient beter. Van hem is een zeldzame vertolking van Engelse toe- risten die zich, reisgids onder de arm, door een Italiaanse cicerone van alles laten wijsmaken over wat hun eigen ogen zien. Een jonge vrouw (de dochter?) maakt een tekening in haar schetsboek. Achter hen staat een kunstenaar met een ezel onder zijn arm – te gapen. Het is misschien geen Lorrain, dit schilderij, maar wel geeft het een prachtig beeld van hoe zo’n landschap toen al een onverdiende maar enorm overtuigende glamour kon verwerven.

Tot in de twintigste eeuw was toerisme iets exclusiefs, en dat verklaart hoe deze mythe
zo lang stand kon houden. Maar reizen in de verbeelding kon altijd al. In de achttiende eeuw ontstonden de eerste gidsen voor de virtuele wandelaar, geïllustreerd met lithografieën van het pittoreske landschap. Die gidsen bevorderden op hun beurt de vraag én het aanbod van geschilderde en getekende landschappen in alle smaken. Wie zich geen echte reis naar het onbekende kon permitteren, kon dankzij de kunst toch de geest laten waaien. Reisboeken, landkaarten, prenten en panorama’s vierden hoogtij in de negentiende eeuw, in dienst van elke huiskamerreiziger die zich een mooi boek kon veroorloven waarin een parallelle werkelijkheid van vrije verten en een onbeperkte horizon werd voorgetoverd.

Wij kunnen nog steeds genieten van die oude droomlandschappen, zoals we ons ook kunnen verplaatsen in de expedities van kunstenaars als Richard Long of Marina Abramović. Bij hen gaat het om een psychologisch project, de expeditie zelf als kunstwerk, zoals de reis van Aeneas naar het schimmenrijk of die van Petrarca naar de top van de Mont Ventoux. Vandaag is onze collectieve horizon weer beperkt. En misschien zal dat, al is het maar voor even, onze gevoeligheid versterken voor deze kunst, die vrije toegang verschaft tot het onbegrensde rijk van de verbeelding.

Next
Next

Albrecht Dürer, Leven op Papier