Albrecht Dürer, Leven op Papier



groot in kleine dingen


Michelangelo is de meester van het grote gebaar, Rafaël van de lieflijkheid, Rembrandt van het menselijke drama en Dürer van het scherpe oog voor de zichtbare werkelijkheid. Van het bijwerk, zou ik eraan toe willen voegen als dat niet een beetje te bijkomstig klonk voor een meester van zijn statuur. Grote kunstenaars worden vaak op grote schilden gehesen, als representant van een denkwereld, als nationale held of schutspatroon, maar op de duur is dat niet per se in het belang van die kunstenaar. Zo werd Albrecht Dürer het model voor de lutheraans/protestante denkwereld, de melancholische geaardheid en de Duitse natie, op een manier die uiteindelijk afbreuk doet aan zijn kwaliteit als kunstenaar. Juist bij hem is onze bereidheid om van zijn werk te houden wat verkommerd in de slagschaduw van zijn reputatie. Wat hemzelf nog het meest interesseerde, bevond zich op een ander niveau dan dat van de dominees en de filosofen. Zoals Dürer trappen beklom om de wereld eens goed van bovenaf te gaan bekijken, zo moet
hij ook meer dan eens op zijn buik in het gras hebben gelegen.

Albrecht Dürer, De grote graszode, 1503, waterverf en gouache, Albertina Wenen

Dürers open oog voor al het zichtbare en tastbare is overgeleverd in zijn tekeningen, waarvan er nog bijna duizend bewaard zijn gebleven, en wordt bevestigd in een paar, gezien hun ouderdom wonderbaarlijke, geschreven bronnen. Eentje daarvan is zijn Tagebuch, het notitieboek dat hij bijhield tijdens zijn reis door de Nederlanden. Dat kleine boekje zit zo vol vermeldingen van dingen die onderweg zijn aandacht vangen dat het bijna komisch is, en sowieso ontroerend. Binnen Dürers blikveld vallen bomen, bergen, steden, klederdrachten en gebruiken, en ook een overvloed aan rariteiten.

Een buffelhoorn, een elandsvoet, een Hollands pijpje, een konijnenpels en een ‘muskusbal die zo van een muskusrat gesneden was’, zijn een paar dingen waar hij geld voor neertelt. Tussen zijn schatten vermeldt hij met voelbaar plezier een groene papegaai die zijn vrouw Agnes cadeau kreeg. Ook stoffen koopt hij veel, getuige het dagboekje.

Zo ruimhartig en democratisch is Dürers aandacht voor alles wat de zichtbare wereld te bieden heeft dat het nog steeds, vijfhonderd jaar na dato, aanstekelijk is. Over de Mexicaanse schat in het Koninklijk Paleis in Brussel: ‘Nooit van mijn leven heb ik iets gezien dat mijn hart zo verblijdde als deze fantastisch knap gemaakte voorwerpen.’ Over de achttienjarige dochter van ‘Meester Gerard de miniatuurschilder’ (Gerard Bening): ‘Ze heet Susanna en ze heeft een klein vel papier geïllustreerd, een Salvator, waarvoor ik haar
1 gulden heb gegeven’. ‘Het is een wonder dat een vrouw zoiets maakt’, voegt hij eraan toe
als man van zijn tijd. Maar zijn oog kende geen hiërarchie.

Die ruimhartigheid vindt een heldere weerklank in zijn zilverstiftboekje dat geldt als een visuele tegenhanger van het dagboek. Er zijn vijf van die tekeningen bewaard die Dürer maakte in Bergen op Zoom, waaronder een profiel van de stad , een jonge en een oudere vrouw in het huis van zijn gastheer Jan de Haas, en een verbazende tekening van de koorzijde van de Grote Kerk : op het oog een vrij vormloze massa metselwerk, waarvan Dürer elk steentje vastlegde. Blijkbaar was het deze keer de structuur van die bakstenen muren die hem interesseerde.

het koor van de Sint Gertrudiskerk in Bergen op Zoom, 1520-1521, zilverstift op papier Städel Museum, Frankfurt am Main

Voor Dürer waren zulke tekeningen soms instrumenteel, omdat ze hem van pas kwamen voor een latere compositie. Zo komt het gezicht van een 93-jarige man later terug in de gedaante van Hiëronymus. Maar vaak golden die getekende en gegraveerde portretten ook als eindproduct, ingelijst en op hout geplakt. Daarin was Dürer een pionier, en ook een succesvolle ondernemer: naast de vele cadeaus die hij kreeg tijdens zijn reizen als beroemd kunstenaar (waaronder verbazende hoeveelheden wijn) waren die portretten op papier een bron van inkomsten waarmee hij zijn reizen bekostigde.

Albrecht Dürer, portret van een 93jarige man, 1521, Albertina Wenen

Het meest tijdloze onderdeel van Dürers verbeelde wereld is bewaard in zijn kijk op de levende natuur. De oogst daarvan is overvloedig en nog steeds enorm populair. Dat was al zo in zijn tijd en vooral kort na zijn dood, toen er een rage ontstond in kopieën van Dürer, vaak inclusief het bekende monogram. Neem het egeltje, dat is overgeleverd uit de hand van een geweldige kopiist, Hans Hoffmann . Hij maakte het in 1584, zesenvijftig jaar na de dood van Dürer. Nog steeds snap je volkomen waarom iemand zo’n voorstelling streekje voor streekje zou willen herhalen. De houding, het ingekeerde kopje van deze en andere medereizigers zoals Rudy Kousbroek ze noemde; net als voor het menselijk gezicht had Dürer een uitzonderlijke gevoeligheid voor het leven onder de vacht.

Hans Hoffmann, naar Dürer, egeltje, 1584, Metropolitan Museum of Art

Zo in trek waren zijn prenten en zo talrijk de kopieën, dat er onder kenners nog steeds discussies zijn over de echtheid van deze of gene prent. Het egeltje, de kever genaamd ‘vliegend hert’, en zelfs de akelei: een paar van zijn nog steeds meest geliefde kleine dingen werden al in de zestiende eeuw op deze manier gekoesterd.

Dürer was bij leven beroemd om zijn gravures, vooral zijn voorstellingen uit de laatste dagen van Christus, de zogeheten Grote en Kleine Passie. Maar zelfs van die verheven taferelen werd het bijwerk vaak vermeld als zeldzaam bezienswaardig: de plooival, de kostuums.

De buitenkant. De intensiteit waarmee Dürer zijn zilverstift en graveerpen wijdde aan die buitenkant is genoeg voor zijn verdiende roem, als een van de kunstenaars uit de geschiedenis die elke mode en buitenmaats uithangbord moeiteloos wist te omzeilen.

c Mariëtte Haveman https://www.kunstschrift.nl/3-2021.html

Previous
Previous

wandelkunst

Next
Next

wit