Lucian Freud en de tijd

https://www.nrc.nl/nieuws/2022/10/19/lucian-freud-schilderde-vrouwen-naakt-en-vrienden-in-hun-nette-pak-2-a4145608

 Een doorleefde kunstenaar staat op afgetrapte schoenen aan de finish van een loopbaan die toen ruim vijf decennia had omspannen: ‘Painter Working, Reflection’ toont de zeventigjarige Lucian Freud ten voeten uit, zonder kleren. Wangplooien, voorhoofdsknobbels, onderhuidse aderen, niets daarvan ontsnapt aan het licht dat van boven invalt. Het lichaam is bleek, het gezicht donkerder met roodachtige wallen en ogen. Ook het geslacht is roodachtig en prominent opgemetseld in de verf. De ruimte is verder leeg, afgezien van de contour van een bed.

Het schilderij hangt solo aan een wand van de laatste zaal van de tentoonstelling Lucian Freud, new perspectives in de National Gallery, als een soort testament. Maar na dit testament zou Freud nog bijna twintig jaar leven, een lintje ontvangen van de koningin en nog meer roem en ophef oogsten. Met zijn kolossale portretten van gay performer Leigh Bowery bijvoorbeeld, en van de kassamedewerkster van diens nachtclub ‘Taboo’, tevens bijstandsambtenaar, Sue Tilley. Eén daarvan, getiteld Benefits Supervisor Resting, werd in 2008 voor bijna 34 miljoen dollar gekocht, destijds het duurste schilderij van een nog levend kunstenaar. Het toont een vrouw slapend op een sofa, haar huid en forse omvang gedefinieerd door talloze verfstreken waarin alle mogelijke nuances van menselijk vel en onderhuids vet worden gedefinieerd. Verf wordt vlees. Freud maakte vier variaties op dit model, en die gelden als het meest controversiële deel uit zijn oeuvre. In de jaren negentig werd Suemikpunt van honende reacties in de populaire pers. Serieuze critici sloten zich aan met juist prijzende woorden voor de onverschrokken kunstenaar en diens verbeelding van zo’n omvangrijk lichaam, als stoer eigentijds antwoord op het klassieke schoonheidsideaal.

Een opmerkelijk geluid in dit koor vormde de vernietigende recensie die feministische criticus Linda Nochlin in 1994 publiceerde in het tijdschrift Artforum. Zij vond Freuds benadering van zijn modellen exploiterend en denigrerend onder de schijn van artistieke grensoverschrijding. Achter zijn geforceerde poses en ruige verfbehandeling, vond zij, verborg deze kunstenaar de meest banale stereotypen. Zwaarlijvige vrouwen en gay mannen worden afgebeeld als groteske verschijningen. Jonge vrouwen liggen er standaard bij als passieve wezens, ‘rozig van wang en vulva’. Oudere vrouwen staan voor verval. ‘Echte’ mannen daarentegen, schrijft zij, zoals Sir Jacob Rothschild, zitten geheel gekleed op een stoel, hun rimpels en onrechtmatigheden als klassieke tekens van karakter.

Ook de blote man in Painter, Working, Reflection’ ontsnapte niet aan Nochlins veroordeling van het wereldbeeld dat Freud de wereld voorhoudt. Met dat doorleefde lijf, schrijft zij, ‘gewapend met paletmes en penis, voeten in de schoenen van Gogh’, presenteert de kunstenaar zichzelf als het klassieke mannelijke genie. Rembrandt, Picasso en Van Gogh ineen.

 De ‘valide structurele kritiek’, zoals in de catalogus Nochlins commentaar wordt omschreven, wordt in Londen niet genegeerd, zij het dat de makers het er wel moeilijk mee hebben. In Londen is een aparte zaal ingericht getiteld ‘Power’, vol mannen in het pak.  De suggestie is dat het hier primair om een artistiek gemotiveerde categorie gaat: machtige mannen zoals de pausen en prinsen van Rafael en Velazquez. De vergelijking is overtuigend maar de presentatie maakt tegelijk erg goed zichtbaar hoe Freud voor bepaalde vrienden (Baron Thyssen-Bornemisza, Jacob Rothschild, zijn New-Yorkse galeriehouder William Acquavella) consequent een uitzondering maakte op zijn vlezige menu. Dat valt extra op omdat ze hangen tegenover de levensgrote naakten die Freud in de jaren negentig schilderde. Zowel de mannen in pakken als de naakte Sue Tilley en Leigh Bowery maakten deel uit van de contrastrijke vriendenkring waar hijzelf ook wel trots op was.

      Tot die vrienden behoren ook de oude meesters. Vooral Titiaan en Veronese heeft Freud tot in de finesses bestudeerd; hij had een speciale permissie om het museum buiten openingstijden te bezoeken. In de tentoonstellingscatalogus vertelt Nicholas Penny, tot 2015 directeur van de National Gallery, hoe Freud geen enkele belangstelling had voor de mythologische dimensie in de Titiaans, maar des te meer voor de figuren, waarover hij opmerkte dat de oude schilder een enkel model meerdere keren had gebruikt. Volgens Penny was hij bijzonder gefixeerd op Titiaans verfhuid (“ik moest hem weerhouden met zijn vinger over het impasto te strijken”).

Dat is mooi en leuk om te weten. Huid, ‘flesh’, is zoals te verwachten ook de focus van de tentoonstelling. Maar Freuds persoonlijke betrekkingen waren per definitie gecompliceerd, en die met de oude kunst misschien nog wel het meest. Freud zag zichzelf als een hedendaagse opvolger van de oude meesters. Bij zijn ouders thuis hing een reproductie van Titiaans Bacchus en Ariadne. Die affiniteit wordt breed uitgemeten, maar waar de samenstellers [Toef, ook in de catalogus] aan voorbijgaan is hoezeer juist de huid de arena vormde waarin niet alleen zijn ontzag, maar ook zijn worsteling met de kunstgeschiedenis tot uitdrukking komt. Dat hij geweldig kon schilderen is vanaf het begin glashelder. Dieren en ook planten vertolkt hij met een doorschijnende perfectie. Uit de toewijding waarmee hij dat deed, spreekt iets heel eigens en geheimzinnigs alsof de kunstenaar zich op dit terrein een speciale vrijheid permitteerde zodra het andere levensvormen betrof.

Bij mensenhuid is de relatie met het ambacht een stuk dubbelzinniger. Dat beroemde en ook hier in alle toonaarden bezongen vermogen om verf te veranderen in meedogenloos levensecht vel, geplooid, dooraderd en belicht, wordt vooral in zijn latere schilderijen soms gesaboteerd met grofkorrelige, dichtgesmeerde passages. Die passages vertellen veel over de opgave om tegelijk realist én modern te zijn te midden van abstracte collega’s. De ruige verfbehandeling en de gedwongen poses die Linda Nochlin bekritiseert, lijken vooral uit dat conflict geboren, net als het opgeheven paletmes op ‘Painter Working, Reflection, waarmee hij zichzelf neerzet als een soort boeteprediker in zijn zelfverkozen isolement, ver verwijderd van zowel de oude kunst als zijn tijdgenoten. Freud wilde iets maken dat niemand anders deed, vroeger en in zijn eigen tijd: ‘naakte portretten’. Kunst die niet was bedekt of onderbouwd met explicatie, zoals al zijn andere collega’s deden, de oude en de nieuwe meesters.

 

Freud als geniale vertolker van menselijke huid: echt nieuw is het perspectief dat hier wordt geboden niet. Toch is de tentoonstelling een belevenis, vanwege de zeldzame kwaliteit en eigenheid die je meteen in de eerste zaal tegemoetkomt. Freud heeft schilderijen gemaakt van dieren, planten en mensen die getuigen van een buitengewone intimiteit en artistieke waarachtigheid. Een die ook standhoudt in de late, imposante schilderijen van de slapende Bowery en Tilley. Wat daarbij voelbaar is verschoven, is ons eigen perspectief als waarnemers. Kunstwerken veranderen een beetje naarmate de tijd passeert. In 1994 riepen vooral hun lichamen sterke reacties op. Men vond ze afstotelijk, lachwekkend of juist baanbrekend. Maar wat ons bijna twintig jaar later vooral treft in die gestalten, is de soevereine argeloosheid waarmee ze zich aan ons voordoen. Met haar grote ontwapenende onschuld raakt de slapende Sue in het schilderij Sleeping by the lion carpet een snaar die de harde woorden van Linda Nochlin ineens op afstand plaatst. Ja, er gebeurt iets vreemds met de verf rond haar buik, bedoeld of onbedoeld. Maar waarom zouden we zo’n portret vernederend noemen, als het model zelf dat niet deed? Waarom zou het dat überhaupt zijn?

Hoe Freud daar zelf over dacht, weten we eigenlijk niet. Ik denk niet dat hij zich zorgen maakte over begrippen als body shaming. Evenmin stond hij merkbaar stil bij het feit dat zijn maatschappelijk succesvolle mannelijke vrienden wel collectief hun kleren aan mochten houden. Hij was zelf een succesvolle, witte man-kunstenaar, hoog en droog in zijn atelier in Holland Park, met alle privileges die daarbij horen. Sociaal gebrekkig, een beetje een poseur met zijn palet en zijn oude schoenen. En daarbij ook, dat maakt deze tentoonstelling weer volkomen duidelijk, een uitzonderlijk goede kunstenaar.

 

 



Previous
Previous

Heilige geestigheid

Next
Next

Het eenzame meesterwerk